Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Rusland te trekken, waar ik officiersrang heb bij een garderegiment, en waar ik het met den werkelijken dienst meende te beproeven. Mein Schicksal wilde dat ik u ontmoette en mij de schoonste phantasieën ging scheppen van het geluk dat er te vinden moest zijn in het vertrouwelijk verkeer met eene edele, schrandere jonkvrouw, wier geest en hart beide mij evenzeer aantrokken. De aanlokkelijkste voorstellingen heb ik mij gemaakt van die mogelijkheid, en nu, nu moet ik haar opgeven."

„Opgeven, waarom ?" herhaalde zjj onwillekeurig, getroffen door den toon van diepen weemoed dien hij had aangeslagen; dat behoeft immers niet; ik had u gaarne tot vriendin willen zijn, en zoo gij niets anders hebt te verbergen dan — dat gij op de sociale ladder eenige sporten hooger staat dan ik vermoedde, zie ik niet in dat uw rang zoo groote verandering behoeft te maken. Zoo graaf Stanislaus mijne belangstelling, mijne vriendschap waardig is, zal ik ze niet weigeren aan prins Karei von ...

Zwijg toch!" viel hij in met zekere heftigheid; denk aan den zwanenridder; als men hem dwingt zijne herkomst te openbaren, moet hij verdwijnen."

„Als gij zelf zegt dat het zijn moet, zal ik u niet ophouden," hernatn zij koel en zelfs wat hoog; „maar in den blinde gaan, waar van trouw en vriendschap sprake moet zijn; daar... kan ik mij niet naar schikken," en zij stond op.

Maar zóó had hij het niet bedoeld.

„En gij zegt mij dit met die ijzige fierheid," sprak hij met eene mengeling van verwijt en weemoed; „ben ik u dan waarlijk zóó onverschillig, dat gij, om de voldoening eener ijdele nieuwsgierigheid, die u geweigerd wordt, u van mij zoudt willen scheiden voor het leven."

„Niet om die voldoening eener ijdele nieuwsgierigheid, graaf! Uw rang, uwe afkomst heeft zoo groote beteekenis niet voor mij; maar omdat ik ophelderingen omtrent uw verleden noodig zou hebben, die gij, naar ik zie, besloten hebt niet te geven."

vAber . .. Fraulein ... mijn verleden is — verleden — is het u niet genoeg, als ik u de toekomst waarborg?"

„Op welke wijze, als reeds het tegenwoordige een bedrog is!'

„Bedrog! vermetele, gij weet niet tegen wien gij dat zegt.'

Sluiten