Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geefs zou zoeken. Ik kan u nooit aan mijne zijde plaats geven als mijne wettige gemalin, Regina! al zijt gij ook de koningin van mijn hart, en al valt het mij onbeschrijfelijk zwaar, u dit te zeggen. Al kon ik de oneerlijkheid plegen u voor de leus die voldoening te schenken, om wat men hier in Holland een wettig huwelijk zou noemen, met u aan te gaan, toch zou dat bij ons te lande, aan ons hof, in onze familie nooit als zoodanig worden erkend; men zou ons ruw en wreed scheiden, en ik zou niets vermogen tegen die overmacht. Beken ten minste, dat ik grootmoedig heb gehandeld met u dien strik niet te spannen."

„Ik heb hier, zooals gij weet, mijne vrienden, mijne raadslieden; zulk een onwaardig bedrog zou geen kans gehad hebben van slagen, mijnheer!"

„Ik zal daarover niet twisten; wees gij mjj dankbaar, dat ik niet ondernomen heb het te plegen."

„Houd mij ten goede, dat mijne dankbaarheid in deze minder levendig is dan gij u voorstelt. Ik heb met de uiterste verbazing naar u geluisterd; gjj dicht mij wenschen en verwachtingen toe, die niet in mij zijn opgekomen. Zoo die graaf Stanislaus, dien ik meende in u te zien, mij eenige dagen vroeger een huwelijk had voorgesteld, zou ik dat zeer zeker als eene eer hebben beschouwd, die niet zonder indruk op mij zou zijn gebleven; mogelijk had ik mij laten overreden om daaraan gehoor te geven, maar verzekeren durf ik dit niet, want al heeft uw geest, uwe wereldkennis indruk op mij gemaakt, mijne belangstelling gewekt, mijn hart heeft nog niet voor u gesproken, en ik bezit niet genoeg van die zekere eerzucht, die eene vrouw verleidt om een mariage de convenance aan te gaan, al is het nóg zoo schitterend. Keken dus zelfs eens na, mijnheer, hoever ik nü verwijderd moet zijn van eene dergelijke verbintenis met u, onder de omstandigheden die gij zelf mij kenschetst."

„En gjj zegt dit zóó, op dien ijzigen toon, alsof gij u werkelijk geheel vrij gevoelt van alle verbintenis jegens mij," viel hij in met verwijt en bitterheid; „heb ik mij dan zóó bedrogen in de uitdrukking van uw gelaat, als ik daarin meende te lezen wat ik zocht? Bestond er dan geene sympathie tusschen ons, en was ik een dwaas, die zich door eene coquette om den tuin liet leiden?"

Sluiten