Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anders is het, waar de kwetsuur komt door de greep eener vriendenhand; daar wordt de pijn onuitstaanbaar, daar wordt de wonde vergiftigd, en de angel is niet meer uit te rukken. Ik heb er alles van"doorleefd; ik heb reeds nu te strijden tegen de bitterheid en de minachting in mij verwekt juist door haar, die mij als meisje het eerst het gevoel van vriendschap wist in te boezemen, door die Emma, die mij eens had gezegd, dat zij man en kind zou willen opofferen ter liefde van mij, en die ... toen ik tot haar mijne toevlucht nam, nadat ik opgehouden had „eene rijke partij te zijn", mij het kamertje tot logies gaf, waar zij vroeger mijne kamenier had gehuisvest! Zjj had er een pretext voor gevonden; werkelijk, de groote logeerkamer moest disponibel blijven voor den zwager van haar man, die met vrouw en kind uit Indië werd gewacht en bij haar verloopig zou logeeren. Ziet gij, zulke ervaring bederft den eetlust aan den vriendendisch, waar men moet aanzitten; om niet te spreken van de ontvangst. De verwelkoming was in ieder opzicht de tegenstelling van het uitbundig gejuich, waarmee ik ingehaald werd bij mijne eerste blijde inkomst. Dat Wijnands mij niet afhaalde, was buiten zijne schuld, daar hij in zijn ambt eene vergadering moest bijwonen, zooals de knecht, die van zijnentwege kwam, mij vertelde; maar dat Emma zich niet had kunnen exc°useeren van een avondpartijtje bij vervelende dames, dat viel mij wel wat moeilijk aan te nemen. Doch ik kende haar; zij gaat dolgraag uit, en zij houdt niet van treurige gezichten; zij vreesde zeker dat ik een stroom van tranen zou storten bij het weerzien; of wellicht schaamde zij zich over het provere logies dat zij mij nu had te bieden, en wilde zij dat ik over den eersten indruk heen zou zijn, eer wij elkaar weerzagen. Hoe dat ook zij, ik at mijn avondbrood alleen, werd door hare kamenier naar het „kleine logeerkamertje verwezen", en eerst des anderen daags aan het ontbijt vond de verwelkoming plaats. Hartelijk en meewarig van Wijnand's zijde, en Emma ook trachtte lief te zijn toen zij bemerkte, dat ik volstrekt geen larmoieerenden toon aansloeg, en mij kloek hield in hetgeen men mijn ongeluk noemt. Had zij kunnen raden hoever het van mij was om te klagen over hetgten ik zelve had gewild; maar reeds voelde ik mij te diep gekrenkt om haar die geruststelling te geven. Ik liet haar blijken, dat ik

Sluiten