Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgedaan, waaraan ik eindelijk rust had verkregen, al was het ook eene vreugdelooze berusting, doet opnieuw zijne rechten gelden; er trekt zich boven inijn hoofd eene donkere onweerswolk samen. De man, die met een kreet van wraakzucht van mij is weggevloden, die als een vloek over mij heeft uitgesproken, wien ik onrecht heb aangedaan, ik weet het maar al te goed, die man is hier, is weergekeerd en zoo mijn bang voorgevoel en de eerste opmerkingen die ik heb gemaakt, mij niet bedriegen, is hij tot mij gekomen met vijandelijke bedoeling. Ik vrees, dat mijne schuldbelijdenis, mijne bekentenissen (die nu toch wel tot hem zijn gekomen, naar ik mij voorstel) niet machtig zijn geweest om hem tot verzoenlijkheid te stemmen. Mijne miskenning, mijn smaad en bitterheid hebben zijn hart vergiftigd ; de haat heeft het zachter gevoel daarin gedood; de haat is machtiger geweest dan de liefde; want hij heeft mij liefgehad, ik moet het nü wel gelooven. Uit den gloed van zijn haat licht mij nóg de vlam dier liefde toe, waarvan zijn hart eens voor mij heeft gegloeid, en die ik heb gebluscht, ik zelve, door mijne verdenking en mijn ongeloof. Heeft hij mjj gezocht en uitgevonden, of heeft het toeval hem hierheen gevoerd, dat weet ik nog niet te onderscheiden; maar hoe dat ook zij, hij heeft mij bereikt, hij heeft het recht van intrede in mijne naaste omgeving, juist in den familiekring waar ik mij veilig waande tegen alle vijandschap daarbuiten. Doch laat ik u alles geregeld meedeelen. Ik kan toch niet slapen; ik neera den nacht te baat om u te schrijven, om het, al is het maar op het papier, uit te spreken wat mij schokt, en wat ik aan niemand kan vertrouwen, wat mijn hart tot brekens toe bezwaart en benauwt, en wat ik moet verkroppen en verhelen met een effen voorhoofd en een kalm gelaat. Gisteren aan tafel kreeg de minister een briefje van een zijner collega's dat hem een verdrieteljjken trek op het gelaat bracht en een uitroep van spijt deed slaken.

Aan meer zelfbeheersching van zijne zijde gewoon, keek mevrouw hem onrustig vragend aan.

Ik waagde het alleen tersluiks een vluehtigen blik op hem te werpen, en Mathilde sprak het uit voor ons allen:

„Dat leelijke briefje doet u verdriet, papa! is het niet zoo?"

Sluiten