Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar een geïllustreerd werk, dat in mijn bezit was en dat zij wilde doorbladeren in afwachting van den heer Witgensteyn, die volgens haar niet de beleefdheid had exact te zijn.

Toen ik weer binnenkwam, was Eckbert gekomen, en had zeker een geldig excuus weten te maken voor die fout, terwijl van mevrouws zijde de ontvangst was geweest wat die zijn moest op het verlangen van haar gemaal; althans hij zat naast haar bjj de theetafel, en zij schenen samen goed op hun dreef. Ik had mij intusschen hervat en trachtte mjj goed te houden. Ik was nu in het gevaar en moest kloek zijn. Ik boog mij tegen hem als tegen een vreemde, maar zonder den moed te hebben hem aan te zien. Hij zelf, was hjj er op verdacht mjj hier te vinden, of herkende hij mij werkelijk niet? Hij sloeg geen acht op mij en toen mevrouw mij voorstelde als Juffrouw Bethier," boog hij even, na een koelen vluchtigen blik, en zette zjjn gesprek voort met de vrouw des huizes als had mijn binnentreden geen de minste beteekenis voor hem. Nauwelijks wetende wat ik deed, haalde ik mijne tapisserie voor den dag, en begon druk te werken, om mij eene contenance te geven. De gouvernantes van beroep nemen gewoonlijk dergelijke afwachtende houding aan, als het gesprek buiten haar omgaat. Maar ik nam anders wel eens de vrijheid mij in de conversatie te mengen, en mijn zwijgen moest mevrouw ditmaal te meer bevreemden, daar het tegen de afspraak was. Reeds had zij, geloof ik, daarover eene schertsende aanmerking op de tong, toen Mathilde, die naast mij zat en even naar mijn werk had gekeken, in een luiden lach uitbarstte. In den angst mijns harten had ik groene rozen gefabriceerd, met rozenroode steelen!

Het lieve levendige kind kreeg eene berisping van hare moeder over deze misplaatste vroolijkheid. Ik moest haar verontschuldigen, en mijne discratie belijden.

„Wil ik het weer voor u uittornen ?" vroeg Mathilde goedhartig.

„Neen! neen! als men gebroddeld heeft, moet men het zelve weer terechtbrengen," sprak ik, reeds met dat vervelend werkje aanvangende.

„Ik dacht dat de tapisserie van Penelope qui n'enfinit pas uit de mode was," voegde Eckbert mij toe, en de pointe was zoo rechtstreeks op mij gericht, dat ik wel moest opzien; hij was

Sluiten