Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, die ik niet zou kunnen plegen, al ware mijne wraakneming

daarmee ook verzekerd.

„Gij hecht dus nog steeds aan dat denkbeeld eener wraakneming; gij blijft dus nog altijd onverzoenlijk, Eckbert?"

„Mij dunkt, juffrouw van Berchem, dat er tusschen ons nog heel wat veranderen moet eer er van verzoening sprake kan zijn."

„En hoe kan het anders tusschen ons worden, mijnheer Witgensteyn? Gij hebt mij gewaarschuwd, dat uw hart tot een rots is versteend... Hoe kan ik hopen een rots te verwrikken..."

„Gij hebt gelijk; men moet zich geene vergeefsche moeite geven. Het is veel gemakkelijker met de handen in den schoot de gevolgen af te wachten van het onrecht dat men heeft gepleegd, dan zich in te spannen om die af te wenden, vooral als er sprake zou zijn van zelfverloochening ... van schuld te belijden.

„Maar... ik heb schuld bekend, Eckbert; ik heb het u beleden dat ik onbillijk was, dat ik u heb miskend; mijn eerste woord aan u is geweest eene bede om vergiffenis; gij hebt die afgewezen; ik heb u de hand toegereikt ter verzoening; gij hebt die

teruggestooten."

„Hoe kan dat anders? 't Is wel gemakkelijk voor eene vrouw, een man ten bloede toe te wonden, in het slijk te vertreden en met smaad te verdrijven, om later, als hij terugkeert met een flauw „excuseer mij, ik heb mij vergist, laat ons vrede maken!" te kunnen volstaan. Ik zeg u, Regina van Berchem, dat het niet alzoo zijn zal tusschen u en mij. In den regel, als eene vrouw een man heeft afgewezen, gaat hij ter zijde en neemt den hoed voor haar af als hij haar tegenkomt, maar vermijdt zooveel mogelijk iedere ontmoeting; dat zou ik ook gedaan hebben, ware uwe afwijzing niet tegelijk eene beleediging geweest, eene beschimping van mijn eergevoel, eene verdenking van mijn karakter; voor dit alles moet ik genoegdoening hebben, en ik zal niet rusten, vóór ik die verkregen heb, dat heb ik u aangezegd, dat heb ik mij zeiven beloofd, en ik zal woord houden; daarom, al schijnt dat niet edelmoedig, zal ik la peine du talion op u toepassen, en u op mijn tijd en wijze weergeven, wat gij tegen mij hebt gepleegd, tenzij..

„Welnu, Eckbert?"

Sluiten