Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen. Dan hadt gij moeten breken met al uwe gewoonten van verfijning, van kieschen smaak, en met al die zorgvuldigheden des levens, die u tot behoeften zijn geworden: een gemis, waarvan gij u nu zelfs geen denkbeeld kunt maken. Dan hadt gij geen armoede moeten voorwenden, met behoud eener fortuin, die voor menigeen rijkdom zou heeten; maar dan hadt gij naar het Evangelisch voorschrift uwe schatten onder de armen moeten uitdeelen, en zelve arm, den armen rijk, door de wereld moeten gaan, goed doende en dienende allen, die uwe weldaden en uwe diensten in aanspraak zouden nemen. Dan zoudt gij inderdaad hebben geleerd, wat armoede en ontbering te beteekenen hebben; dan hadt gij kunnen spreken van zelfverloochening, van vrijwillige boete."

„En zou ik ü daarmee bevredigd hebben, Eckbert?" vroeg ik aarzelend en verslagen, want ik zag geen kans om aan dien strengen eisch te voldoen.

„Niet mij, maar u zelve, als gij tot boetedoening gezind waart. Dan zou ik het consequent vinden en eerbied hebben voor die consequentie. Maar gij hebt die roeping niet; waartoe dan het offer te brengen ? alle liefdewerk is onvruchtbaar, waaraan de gloed der liefde ontbreekt. Niet het martelaarschap maakt de heilige, maar het geloof. Daarom neme men niet de houding aan eener martelares, eener boetelinge, waar men de rechte offervaardigheid mist; dat is onwaarheid, en dat brengt niets aan dan verwarring en tweestrijd. Gij, Regina, hebt do plaats ingenomen, die gij voor u de geschikte achttet; gij hebt u zelve willen beproeven — en anderen; wacht de uitkomst af van die keuze, maar stel die niet voor als een zoenoffer, allerminst aan mij, die weet wat werken en worstelen is; die weet wat armoede en ontbering te zeggen is, en die bezield met den vasten wil om dat alles te overwinnen, om te kampen tegen de kwade kansen van het lot, mi daarover heeft gezegepraald, nu eene fortuin heeft bemachtigd, die hij zelf niet voornemens is weg te werpen in den gapenden mond der luiheid of aan uitgestrekte bedelaarshanden, maar waarmee hij voorneemt veel goed te doen, waarmee hij aanvankelijk reeds brood heeft verschaft aan honderden, ruim en goed brood zelfs; want ik hecht er aan dat de arbeider, die

Sluiten