is toegevoegd aan uw favorieten.

Photometrische waarnemingen van de verlichting bij fijnen arbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lummer-Brodhun, en voorts in eene geschiktere regeling van de benzinevlam; en nadat prof. Weber van den verbeterden photometer opnieuw de constanten had bepaald en opgegeven, verwachtten we dus „ein nach jeder Richtung hin volkommenes, zuverlasziges Instrument" zooals I'ranz Schmidt und Haensch ons dat hadden aangekondigd.

Thans echter besloot men, ook hier eene nieuwe bepaling der constanten te verrichten, en dank zij de hulp van prof. Sissinch, werd dit met zorg in het physisch laboratorium ondernomen. Iedere bepaling werd achtmaal herhaald, en van de uitkomsten het gemiddelde genomen. Op deze manier werden getallen gevonden, die aanzienlijk verschilden van de door Weber bepaalde constanten. De verhoudingen van de hier gevonden getallen tot die van Weber wisselden van 1,07 tot 1,12. Deze verhoudingen waren voor de 2 gebruikte benzinesoorten, waarvan eene petroleumaether was, zeer verschillend; zij vertoonden voor elk der beide benzinesoorten onderling kleinere verschillen. De benzinekaars, gevoed met petroleumaether bleek, met het bloote oog gezien, reeds lichtsterker te zijn. Juist deze ongelijkheid van de verhoudingen tot Weber'sgetallen deed er aan denken, dat hier nog iets anders in het spel zou zijn dan eene mogelijke fout door de gebruikte soort amylacetaat van de Hefnerlamp of de gebruikte benzine van de constante vlam. Het amylacetaat had toch het door Dr Krüsz in Muspratt's Chemie aangegeven