is toegevoegd aan uw favorieten.

De voeding van het kind in het eerste levensjaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meenden Pfeiffer en Duclaux, dat er maar één eiwitlichaam in voorkwam. Onderzoekingen van den lateren tijd hebben evenwel geleerd, dat men minstens vier eiwitsoorten moet onderscheiden, nl. caseïne, lactoalbumine, lactoglobuline en opalisine (Wroblewski). De drie laatste zijn in opgelosten toestand in de melk aanwezig, terwijl caseïne zich in opgezwollen toestand daarin bevindt. Bij filtratie van de melk door een poreusen pot kon Schlossmann het caseïne terughouden. Het in opgelosten toestand aanwezige albumine is als zoodanig vatbaar voor resorptie, terwijl het caseïne eerst nog daartoe geschikt moet worden gemaakt door het digestieproces, waarbij het veranderd wordt in een oplosbaar eiwitlichaam.

Caseïne is een phosphorhoudend nucleoalbumine, een zuur, dat in de melk aan calcium is gebonden. Albumine daarentegen bevat geen phosphor doch meer zwavel en stolt bij koken. Opalisine komt in vrouwenmelk in grooter hoeveelheid voor dan in koemelk en Wroblewski schrijft hieraan het fijnere stollen van de vrouwenmelk onder den invloed van leb en zuren toe. Andere onderzoekers verklaren deze fijne stolling door het feit, dat vrouwenmelk relatief veel meer albumine bevat dan koemelk, zooals o. a. blijkt uit de onderstaande analysen van Lehmann en Klemm.

In vrouwenmelk staat het albnmine-gehalte tot dat

van het caseïne = 1:24

In koemelk staat het albnmine-gehalte tot dat van Lehmann

het caseïne = 1 :10

In vrouwenmelk staat het albnmine-gehalte tot dat

van het caseïne = 55.5:44 5

(1—3e maand der lactatie).

In vrouwenmelk staat het albnmine-gehalte tot dat Klemm.

van het caseïne = 42 8: 57.2

(Se—6e maand der lactatie).

Dat het caseïne van vrouwenmelk niet identisch is met het caseïne van koemelk zal later bij de behandeling van de koemelk worden uiteengezet.

Waarschijnlijk komen ook albumosen en peptonen in geringe hoeveelheid in de melk voor. Behalve bovengenoemde eiwit-