is toegevoegd aan uw favorieten.

De voeding van het kind in het eerste levensjaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Diastatisch ferment karakteriseert de vrouwenmelk, oxydase de koemelk. Naar het schijnt komt diastatisch ferment in hoofdzaak bij omnivoren voor (mensch, hond), oxydase bij

herbivoren (koe, geit).

Spolverini heeft een reeks van belangrijke proeven genomen, waaruit blijkt, dat men in hondenmelk oxydase aantreft ais de hond uitsluitend plantaardig wordt gevoed. Krijgt een geit rijkelijk vleesch, dan wordt in hare melk een diastatisch ferment gevonden. Door het toedienen van mout aan dieren, in welker melk anders geen diastatisch ferment voorkomt, kan men dit ferment in de melk doen overgaan. Zijn deze fermenten van eenige waarde voor de voeding, dan zouden Spolverini's proeven natuurlijk van zeer groot belang zijn voor de praktijk. Escherich evenwel en met hem Moro betwijfelen de groote waarde dezer fermenten voor de voeding van den zuigeling. Ook zouden volgens hen de fermenten niet als afzonderlijke stoften in de melk aanwezig, doch de fermentwerkingen innig gebonden zjjn aan het eiwitmolecule der melk.

Yoor de digestie van vrouwenmelk zijn de fermenten overbodig; het glycolytisch ferment zou zelfs nadeelig kunnen zijn. Gebruikt een zuigeling bij de borstvoeding tevens meelpreparaten, dan zou het diastatisch ferment wellichteenig nut kunnen hebben. De fermenten zijn waarschijnlijk uit het bloed afkomstig.

Door de aanwezigheid van de besproken fermenten wordt het waarschijnlijk, dat in de melk nog andere fermentachtige stoffen voorkomen, die, in overeenstemming met een het eerst door Escherich geuit vermoeden, niet zoozeer zouden dienen om de digestie van het voedsel in het spijsverteringsstelsel te vergemakkelijken, dan wel om stimuleerend en toniseerend op de intermediaire stofwisseling en assimilatie te werken (zg. trophozymasen van Marfan). Aan de vernietiging van deze hypothetische fermentachtige stoffen door kookhitte meenen sommige schrijvers een groot deel van de inferioriteit van gekookte koemelk ten opzichte van vrouwen- en ongekookte koemelk te moeten toeschrijven.