is toegevoegd aan je favorieten.

De voeding van het kind in het eerste levensjaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men late de min liefst niet alleen uitgaan en controleere haren levenswandel. Met het oog op de mogelijkheid van eene nieuwe graviditeit, die meestal de zogsecretie doet afnemen, of van een infectie met lues of gonorrhoe, is een geneeskundig onderzoek van de min om de 4 of 5 weken noodzakelijk.

Verwisselen van min. In verreweg de meeste gevallen wordt eerst dan de toevlucht genomen tot een min, wanneer verschillende pogingen met kunstmatige voeding mislukt zijn of het kind gedurende langeren of korteren tijd aan min of meer ernstige stoornissen van het spijsverteringsstelsel heeft geleden. Een gewone fout, die daarbij dikwijls wordt gemaakt, is deze, dat men al te spoedig de min voor ongeschikt verklaart, omdat het kind niet voldoende in lichaamsgewicht toeneemt, om echter weldra tot de conclusie te komen, dat het met een tweede min niet veel beter gaat dan met de eerste. Wat toch is het geval ? Wordt een zuigeling, die tengevolge van een mislukte kunstmatige voeding aan dyspepsie is gaan lijden, aan de borst eener min gevoed, dan zien wij al heel spoedig de abnormale verschijnselen, wijzende op een lijden van het maagdarmkanaal, verdwijnen, de luiers binnen korten tijd normaal worden, terwijl het braken soms het langst aanhoudt. Ook complicaties als nephritis, otitis en bronchopneumonie verbeteren vrij spoedig; progediënte etteringsprocessen komen weldra tot staan en gaan geleidelijk in genezing over. Het duurt echter veel langer, soms zelfs weken of maanden, eer een belangrijke vermeerdering van het lichaamsgewicht optreedt en wel des te langer, naarmate de voorafgaande stoornissen van het spijsverteringsstelsel langer hebben aangehouden. In den beginne drinkt het aanvankelijk kunstmatig gevoede kind slechts zeer weinig aan de borst, zoodat daardoor de geringe toeneming of stilstand van het lichaamsgewicht in den eersten tijd van het zoogen zou kunnen worden verklaard. Doch ook later, wanneer de hoeveelheid melk, die de zuigeling tot zich neemt, allengskens het normale