is toegevoegd aan uw favorieten.

De voeding van het kind in het eerste levensjaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quantum heeft bereikt, neemt liet kind dikwijls nog slechts in geringe mate toe. Onbekendheid met dit eigenaardig verschijnsel bij den zieken zuigeling, waarop vooral door Kelt-er onze aandacht is gevestigd, is oorzaak, dat zeer dikwijls ten onrechte van min wordt verwisseld.

Zelfs bij dyspepsie van het kind moet men niet al te spoedig van min verwisselen, doch beproeven, door het herstellen van dieetfouten bij voedster of kind, een normalen toestand in het leven te roepen.

Drinkt het voedsterkind te groote hoeveelheden en krijgt het dientengevolge dyspepsie, dan wordt daaruit dikwijls ten onrechte geconcludeerd, dat de min niet deugt. Omgekeerd neemt, als een praemature of zwakke zuigeling niet genoeg drinkt, dus de borsten der min niet voldoende ontledigt en dientengevolge stagnatie van de melk optreedt, de zogsecretie af; ook hier zoeke men de schuld niet bij de min, doch bij het kind of beter gezegd bij den medicus van het kind. Dit zijn de meest voorkomende redenen, waarom een aanvankelijk goede min voor een andere wordt verwisseld.

Slechts in zeer zeldzame gevallen blijkt, bij het vermijden dezer fouten, een bepaalde min voor het ééne kind niet, voor een ander kind daarentegen wel geschikt te zijn. Czerny en Keller zijn dan ook van oordeel, dat rnen ten allen tijde van min kan verwisselen, mits de volgende min slechts een ongeveer even groote zogsecretie hebbe als de voorgaande. Schuchter deelt het volgende mede. In de bureaux te AVeenen, waar zich de minnen verhuren, zijn altijd een paar zuigelingen, die worden aangelegd bij de vrouwen, die nog geen minnedienst hebben, om de borsten van deze, althans voor een deel, te ontledigen. Deze kinderen worden dagelijks bij 4 tot 5 minnen aangelegd en door de besteedsters worden zij gewoonlijk 5 tot G maanden voor dit doel in de bureaux gehouden. In dien tijd hebben zij dus de melk van minstens 100 minnen gedronken en des ondanks laten hun voorkomen en voedingstoestand niets te wenschen over, terwijl zij in geen opzicht