is toegevoegd aan uw favorieten.

De voeding van het kind in het eerste levensjaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gemiddeld. Minimum. Maximum.

water 87.75 pCt. 87.5 pCt. 89 5 pCt.

eiwit 3.50 „ 3. „ 4. „

suiker 4.60 „ 3.6 „ 5.5 „

vet 3.40 .. 2.7 „ 4.3 „

asch 0.75 „ 0.6 „ 0.9 „

König :

Eiwit. Vet. Sniker. Zouten.

3 55 3 69 4.88 0.71 pCt.

Camerer en Süldner:

Eiwit en onbekende stoffen. Vet. Lactose-anhydriet. Asch. Vaste stof. Citroeuzaur.

3.49 3.44 4.35 0.79 12.24 0.18 pCt.

Hofmann:

Eiwit. Vet. Suiker. Zouten.

3.5 3.5 5 0.7 pCt.

Vergelijkt men deze cijfers met de vroeger (blz. 48 en 49) meegedeelde waarden voor vrouwenmelk, dan blijkt, dat koemelk ongeveer 3 maal zooveel eiwit en zouten, daarentegen ongeveer een derde gedeelte minder suiker en slechts een gering bedrag aan vet minder bevat dan vrouwenmelk. Wat vrouwenmelk in het bijzonder karakteriseert en haar van de melk van andere diersoorten onderscheidt, is juist de meer gunstige verhouding van het vetgehalte ten opzichte van het eiwitgehalte; hetzelfde geldt, zij het ook in geringere mate, voor de verhouding van het suiker- tot het eiwitgehalte. In koemelk is de verhouding van N-houdende tot N-vrije stoffen als 1: 2.3, in vrouwenmelk als 1: 7.6.

Eiwitstoffen. Vroeger meende men, dat de eiwitstoffen van vrouwenmelk en die van koemelk volkomen identisch waren, doch alleen maar in verschillende hoeveelheden in beide melksoorten voorkwamen. Uit de proeven van Bordet en Wassermand weten wij echter, dat de melk van elke diersoort specifieke eiwitlichamen bevat. Ook de meening van Pfeiffer en Duclaux, dat het albumine en het caseïne slechts modificaties van éénzelfde proteïne zouden zijn, is onjuist gebleken.

In koemelk komen de volgende eiwitlichamen voor:

1*. Caseïne, een phosphorhoudend nucleoalbumine, een zuur,