is toegevoegd aan uw favorieten.

De voeding van het kind in het eerste levensjaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gunstig, omdat het darmkanaal meer tot rust komt en meel een slechte voedingsbodem is voor de, bij digestiestoornissen zoo schadelijke, eiwit omzettende bacteriën (Heubner). Heeft men den zuigeling bij een ernstige digestiestoornis gedurende 24 uren voedsel, in welken vorm ook, onthouden en aan het organisme uitsluitend water toegevoerd, dan kan het meeldieet gedurende een paar dagen een overgang vormen, om zonder schade weer tot de verdunde melk te geraken.

Ook in kleine quantiteiten gedurende langen tijd naast of met melk gegeven, kan meel zeer nuttig zijn, indien de koemelk slechts in geringe quantiteit of sterk verdund wordt toegediend. Jacobi gebruikt steeds meelafkooksels ter verdunning van de melk en daar hij sterk verdunde melk geeft (1 op 3 of nog sterker verdund) en betrekkelijk weinig melksuiker toevoegt, is deze verhooging der voedingswaarde van zijne mengsels zeker niet ongewenscht. Sommige kinderen verdragen, zelfs bij afwezigheid van digestiestoornissen, suiker heel slecht en ook dan moet het meel te hulp komen. De praktische ervaring heeft onder die omstandigheden geleerd, dat inderdaad meel als bijvoeding, bij oudere kinderen in den vorm van pap, bij jongere als meelafkooksel ter verdunning van de melk, een goede toeneming van het lichaamsgewicht doet ontstaan, waardoor dus de „Unterernahrung" wordt voorkomen, die het gevolg zou zijn van voeding met te sterk verdunde koemelk of met een voor het kind niet volkomen toereikende hoeveelheid zog.

Czerny en Keller willen bij kunstmatig gevoede zuigelingen in het eerste halve levensjaar niet meer geven dan V2 Liter melk per dag. Blijkt deze hoeveelheid niet voldoende, om het kind te verzadigen en een toeneming van het lichaamsgewicht te verkrijgen, dan achten zij het beter, meel bij de melk voegen, „dan de hoeveelheid melk onbeperkt te vergrooten." Dit laatste zal trouwens wel door niemand worden aangeraden, ook niet door hen, die met de bijvoeding later een aanvang laten maken dan Czerny en Keller.