is toegevoegd aan je favorieten.

Middeleeuwsche bibliotheken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootere kloosters, Wijkt reeds uit het feit, dat abt Udalrich van Clugny in de elfde eeuw reeds als zijne meening uitsprak, dat men voor armarius liefst iemand nemen moest, die van jongsaf in 't klooster was opgevoed en daardoor geheel vertrouwd was geworden met het gebouw en zijne inrichting. ') Veelzeggend is het ook, dat de armarius in de grootere kloosters byna altijd een helper had, aan wien hy zoo noodig een deel zyner werkzaamheden kon overdragen. Maar 't best blijkt wel de belangrijkheid van dezen werkkring uit een overzicht van hetgeen den armarius alzoo te doen stond. Zijne werkzaamheden nu waren vierderlei. In de eerste plaats was hy hoofd van de schryfschool (scriptorium); ten tweede bewaarder deiboeken : ten derde was hem de verdeeling der dagelijksche werkzaamheden onder de verschillende kloosterlingen opgedragen en ten vierde was hij voorzanger, tevens leider van de andere zangers in de kerk. Wat de beide laatste functies aangaat, deze staan te weinig in verband met het hier behandelde onderwerp, om er lang by stil te staan. Wie daarover beter verlangt ingelicht te worden verwijzen wy naar de middeleeuwsche kloosterreglementen zelve. Doch aangaande de beide eerstgenoemde werkzaamheden past hier wat meer uitvoerigheid.

1. De Armarius als hoofd van het Scriptorium.

Uit het 48ste hoofdstuk van St. Benedictus' kloosterregel, boven door ons aangehaald, blijkt genoegzaam dat de opsteller, overtuigd van het verderfelijke der ledigheid, eene gepaste afwisseling tusschen handenarbeid aan de eene, studie, lectuur en meditatie aan de andere zijde voor zijne volgelingen noodzakelyk achtte, maar aangaande hetgeen hij onder „handenarbeid" verstond, liet hy ons vrijwel in het duister. Uit het verband valt echter af te leiden, dat hij daarmede in de eerste plaats al die werkzaamheden bedoelde, die noodig waren tot onderhoud van het klooster zelf en zyne bewoners, dus huis- en veldarbeid. Over het afschryven van boeken, een werkzaamheid die eigenlyk de overgang vormt tusschen handenarbeid en geestesoefening, wordt geen woord gerept. Desniettegenstaande moet men aannemen, dat hy ook dit wel als een noodzakelijke bezigheid be-

') Anticiuiores Consuetudines C'luniaceiisis Monasterii, bij d'Achery, Spicilegium vett. Scriptorum IV, p. 185.