is toegevoegd aan uw favorieten.

Middeleeuwsche bibliotheken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal alle boeken merken [welke aan vreemden buitenj liet huis in leen worden gegeven en hunne namen [opteekenen] en den termijn van uitleening, en zoo sommige boeken lang na den gestelden tijd nog niet teruggebracht zijn [drage hij er zorg voor] ze door een boodschapper te laten opvragen. Buiten weten van den rector moet hij niemand eenig boek ter leen geven buiten de stad. Maar geen der broederen wage het een der boeken buiten het huis uit te leenen zonder voorkennis van den librarius. De broeders worden vermaand alle jjver en zorg te besteden aan de boeken, welke zij ter bestudeering ontvangen, opdat zij niet door stof of eenig ander vuil gevlekt worden. De boekwaarder wijze ook hun, die aan tafel voorlezen, wat en wanneer zij lezen moeten.J) De homeliën deiHeiligen worden op feestdagen, en op die dagen welke hun eigen homeliën hebben, 't eerst van alles gelezen. Vervolgens, als naar gewoonte, by 't ontbijt de bijbel en andere sermoenen en lijdensgeschiedenissen der Heiligen, ook op vespertijd, wanneer tevens uit 't martyrologium 'tnoodige aangekondigd wordt voor den volgenden dag, behalve in de drie dagen voor Paschen, op welke niet uit 't martyrologium aangekondigd wordt. Eens per jaar in den zomer brengt de boekwaarder [alle boeken bijeen, en nadat hij] in tegenwoordigheid [van den rector, de door de broeders geleende werken heeft terug ontvangen moet hjj ze] reinigen en onderzoeken. Ook behoort de boekwaarder een lijst der boeken te maken voor den rector, opdat deze dan of op een anderen tijd het aantal [kan weten].''

Daar de Fraters in armoede moesten leven en 't huis slechts weinig inkomsten had, zou men de veronderstelling kunnen wagen, dat hun eigen boekery waarschijnlijk niet zoo bijzonder belangrijken omvangrijk zal geweest zyn. Doch ten onrechte. Schrijven was nu eenmaal hun dagtaak, en wanneer er niet voor vreemden te scliryven viel, mogen zij al eens enkele boeken in 't voren geschreven hebben — maar z\j zullen ook gewerkt hebben voor hun eigen bibliotheek. Want dat zij deze niet rekenden tot de vele dingen, die in hunne huizen als overbodige weelde beschouwd werden, blykt uit een andere plaats dezer Statuten, waar bepaald wordt, dat nu en in -den vervolge hoogstens honderd nobelen per

!) Wat in dezen en in dc eerstvolgende zinnen bevolen wordt, behoorde elders b. v. bij de Reguliere Kanunniken, tot de taak van den cantor.

9