is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Gerrit Dou beschouwd in verband met het schildersleven van zijn tijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leiden verheugde zich in het begin der zeventiende eeuw nog in het bezit van verscheidene werken zijner vroegere groote meesters, die „in de rasende diluvie van de beeldstorminghe niet vergaen" waren '). Het waren het Jongste Oordeel van Lucas van Leiden, twee tryptieken en een waterverfschilderij 2) van Cornelis Engelbrechtsz. en een of meer schilderijen van J a c o b C 1 craeutsz. s), die alle op het stadhuis werden bewaard, twee kleine tryptieken in de kapel van het St. Annahofje, die door de beeldstormers was gespaard, en verder eenige oude schilderijen in verschillende gasthuizen. Ook kunstwerken van Cornelis Kunst, Lucas Cornelis z. de Cock en Aertgen van Leiden, waren omstreeks 1640 ') nog hier en daar bij Leidsche burgers te zien, ja van Engelbrechtsz. was zelfs nog een derde altaarstuk overgebleven, dat aan de heeren van Lookhorst behoorde. Vooral met het Jongste Oordeel van Lucas van Leiden dweepte men, en men stelde zulk een hoogen prijs op het bezit ervan, dat de regeering zelfs een aanbod van Rudolf van Habsburg, die er zooveel gouden dukaten voor wilde geven, als noodig waren om er het stuk mee te bedekken, van de hand wees 6).

Allengs begonnen echter ook werken van levende meesters de wanden van openbare en particuliere gebouwen te versieren. De schepen en burgemeester Isaac Claesz. Swanenburch had op verzoek der stadsregeering reeds kort na het beleg voor de Saaihal een zestal toepasselijke

1) Orlers, blz. 353.

2) Orlers, blz. 351.

3) Zie den catalogus van het Stedel. Museum te Leiden, n". 1305, en Kramm i. v.

4) Orlers, blz. 353 -367.

5) Orlers, blz. 163.