is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Gerrit Dou beschouwd in verband met het schildersleven van zijn tijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoord en is het niet onmogeljjk, dat dit een geschenk van de Oostindische Compagnie was.

Er bestaan twee schilderijen van D o u , wier beschrijving overeenkomt met de door Houb raken gegevene, daar ze beide voorstellen cene vrouw met haar kindje op den schoot en een meisje, dat er mede speelt. Een er van bevindt zich op Buckingham Palace, het andere bij den Hertog van W estminster. Ze vormen eikaars pendant en behoorden beide tot de collectie-Choiseul (M. 307 en 306.). Ik was in staat, het eerstgenoemde stuk te zien en vast te stellen dat het omstreeks 1654—60 geschilderd is. Echter kon ik het stuk niet onderzoeken met betrekking tot een inventarisnummer of ander gegeven, waaruit nader de herkomst zou kunnen blijken. Toch lijkt het mij niet onmogelijk, dat een van beide of wel beide stukken aan Karei II ten geschenke zijn gegeven en eveneens later naar Holland zijn teruggebracht, en dat het een van deze beide stukken is, die in 1716 op de veiling-van Beuningen voorkomt als „het beleende wiegje van Gerard Douw". Te bewijzen is het echter geenszins en wij blijven nog altijd in het onzekere tasten wat betreft de schilderijen van Dou, door de Staten aan Karei II aangeboden1).

Doch hoe het zij, Karei was, gelijk we zagen, met de schilderijen van Dou bijzonder ingenomen en schijnt daardoor op het denkbeeld gekomen te zijn, den beroemden fijnschilder te verzoeken, aan zijn hof te komen werken.

Dit blijkt uit een gedicht, dat de meer genoemde Leidsche poeët Dirk Traudenius2) vervaardigde:

1) Ik waag de onderstelling, dat Houbraken twee feiten en twee voorstellingen heeft verward; 1" het stuk (of de 2 stukken) met eene vrouw die haai kind op den schoot heeft, dat (of die) door de Staten van Dou zelf werd(en) gekocht en aan Karei II vereerd; 2" d e J o n g e M o e d e r, die door de O. I. C. van de Bye werd gekocht en later Mn K. II ten geschenke gegeven.

2) Gedichten v. Traudenius 1662 blz. 25.