is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Gerrit Dou beschouwd in verband met het schildersleven van zijn tijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien men op zijn werk stelde. Eerst was het Spiering, die zijne stukken kocht, daarna de Staten van Holland, eindelijk Johan de Bye, wiens kabinet uitsluitend D o u's stukken bevatte. Het verwondert ons dan ook geenszins, dat burgemeesteren van Leiden het plan opvatten D o u te verzoekeD, iets voor zijne geboortestad te schilderen. Dit blijkt nameljjk uit het notulenboek van burgemeesteren, waarin op 24 Juli 1669 het volgende is aangeteekend'):

„Compareerden Mr. Gerard Douw, konstschilder, de „welke bij Burgermeesteren aengezeidt is, dat sij, considre„ rende dat syn konst allomme zeer vermaerdt en in groote „agtinge is, t'eenemael geporteert zijn om een stuck alhier „van hem te hebben, derhal ven hem sondeerden, of hij niet „genegen zoude zijn, ten behoeve deser stede te maken een „fraaj konstigh stuck schilderye; hetwelk den voornoemden „Douw, naer voorgaende bedankinge voor de eer, hem in „desen betoont werdenden, aengenomen heeft te doen, dogh „zoude alvorens sijn concept, 't welke hem vrij gelaten werdt, „egt aen Burgermeesteren communiceren' -).

Burgemeesteren hadden misschien gemeend, dat onze schilder met de eer en een geschenk (b. v. een zilveren lampet, zooals ze die kort geleden nog aan iemand vereerd hadden !)), tevreden zou zijn, maar D o u, verwend door de hooge prijzen, die men hem voor zijn werk betaalde, schijnt ook in dit geval naar denzelfden maatstaf te hebben gerekend, evenals zijn leerling Frans van Mieris, dien burgemeesteren hetzelfde hadden verzocht. Althans hunne vielen concepten lang niet mee en burgemeesteren besloten den 18'le» Februari

1) Ik dank de mededeeling van deze beide stukken aan de vriendelijkheid van Mr. Ch. M. Dozy, archivaris der gemeente Leiden.

2) Notulen gehouden op de Kamer van de HH. Burgemeesteren der stad Leyden van den 7<len November 1668 tot den 17a™ Augustus 168*2. folio 38.

3) Notulen t.a. p. folio 2 (10 Nov. 1668).