is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Gerrit Dou beschouwd in verband met het schildersleven van zijn tijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwerp betreft D o u 's leerling. Brekelenkam heeft in de stukken uit zijn goeden tijd veel meer naar de Leidsche stillevenschilders') en naar de manier van schilderen van Jan Steen, Metsu of De Hooch gekeken, dan dat hij 'zich naar D o u richtte. Hij teekent meesterlijk, is eenvoudig en smaakvol van compositie, maar is wat geduld betreft het tegendeel van D o u. Yeel zijner stukken schijnen slechts gedeeltelijk „opgemaakt , in andere weer blijft hij geheel in de bruingrijze toonen, die zijn vroege werken kenmerken, slechts hier en daar wat kleur aanbrengend. Over het algemeen is hij zeer ongelijk van schilderwijze, maar toont zich in al zijn stukken een geniaal kunstenaar. Zijne werken, die helaas slechts zelden gedateerd zijn, zijn eene studie overwaard.

D o u 's laatste leerling, waarmede wij het overzicht van degenen, die zijn atelier bezochten, besluiten, was Karei de Moor (1656—1738), die eigenlijk reeds tot een geheel anderen tijd behoort. Zijn eerste leermeester was Dou, doch deze werd langzamerhand oud2) en schijnt niet meer zoo heel goed onderwijs te hebben kunnen geven, want nog vóór diens dood ging de Moor naar den vroegeren Leidenaar Abraham van den Tempel, Van Schooten's leerling, een van die schilders welke te Leiden onder

1) Een stilleven van hem, gedateerd 1660, is te Karlsruhe, n° 257; een stukje geheel als Pieter Codde (die ± 1630 te Leiden was), doch duidelijk Q. B. gemerkt, bij Werner Dahl te Düsseldorf. Een vroeger als D o u geldend stuk, in grijzigen toon geschilderd en sterk aan sommige composities van dien meester herinnerend, met de bekende oude, tandelooze vrouw erop, is bij Ritter v. Preyer te Weenen en schijnt mij wel van Brekelenkam te zijn. Het stelt een vertrek voor, waarin een jongen, die, naar rechts gewend, om een stuk brood bidt, dat een oude vrouw voor hem snijdt, die naar links van ter zijde gezien op een stoel zit. Links een spinnewiel en driestal. P. 47 X 39.

2) „Erat senex" teekent Jan Sjsmus in 1666 aan (O. H. Vil, 6).

10