is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven en de werken van Gerrit Dou beschouwd in verband met het schildersleven van zijn tijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij op huil atelier hadden. Ook Jacob Toorenvliet (1635/6—1719), die na veel reizen, vooral in Italië, sinds 1686 te Leiden woonde, is geheel in hunne richting gevormd en aan zijn werken bespeurt men nauwelijks eenigen Ita-

liaanschen invloed.

Zoo waren er op het einde der zeventiende eeuw, toen Dou en Frans van Mieris gestorven waren, overal verscheidene navolgers van hunne schilderwijze werkzaam. Te Leiden stond naast de genoemden vooral Willem van Mieris (1662—1747) op den voorgrond, wiens stukken nagenoeg even gezocht waren als die van zijn vader. Diens zoon Frans van Mieris de Jonge (1689 1763) was niet minder beroemd, hoewel zijne werken, als die van zijn vader, uiterst smakeloos zijn, en een goede illustratie voor den smaak van den tijd, toen men staartpruik, steek en degen droeg. Hadden Dou en Frans van Mieiis de Oude een fijn gevoel voor het schilderachtige van kleur en lijn, waren hun figuren natuurlijk en meestal levendig, de jonge Mieris 'sen en hun navolgers worden in alles even academisch en gelikt: de figuren krijgen een Grieksch profiel, al staan ze in een kruidenierswinkel rozijnen te wegen, het perspectief wordt dikwijls schromelijk verwaarloosd, kortom, alles bepaalt zich uitsluitend tot uitvoerigheid en slechts het streven daarnaar is de reden, waarom die fijnschilders zoo gaarne een geplukte kip, een dwijl of een hoop koffieboonen afbeelden.

Maar dat is ook al het ergste verval, waartoe Dou's volgelingen kwamen. In het algemeen zijn zij, hoewel academisch, veel minder overdreven en gelikt. Zoo is vooral Caspar Netscher, 1639—1684, hoewel deze zelfs nooit te Leiden werkzaam was, in vele opzichten een navolger van D o u te noemen. Zijne nisstukken met spelende kinderen zijn overbekend, en meer dan eens schilderde hij aldus