is toegevoegd aan uw favorieten.

Over scleritis, naar aanleiding van twee gevallen van cyclo-scleritis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ophoudt en het ziekelijke weefsel geleidelijk in liet normale overgaat. Van deze coupe is een gedeelte in Fig. 3 afgebeeld.

De coupe is genomen ongeveer evenwijdig aan de corneo-scleraalgrens, doch een naar voren scherpen hoek met de oogas makend, zoodat wij van buiten naar binnen en in de figuur van beneden naar boven de volgende lagen zien: nog een stukje der conjunctiva, sub-conjunctiva, sclera, chorioidea, in het middelste deel ci 1 iair-epitheel, beiderzijds nog een stukje retina en daarvóór een randje corpus vitreum.

In het middelste deel der sclera, onder de conjunctiva, is een sterk gekleurde plaats waar onregelmatige kernen zijn, waarschijnlijk daarbij een reuzencel. In de omgeving zijn de vaten opvallend wijd.

De chorioidea is, tengevolge der snederichting, in het midden der coupe, daar n.1. waar de laatste bundels van den M. ciliaris zich bevinden, het dunst. Naar beide zijden gaan de chorioideaallamellen wijd uiteen cn wordt hun onderling verband fraai zichtbaar.

De dikte der chorioidea is daar ter plaatse 0,4 mM, welke afmeting peripheer in de coupe tot 0,8 mM. toeneemt.

Men vindt er een viertal knobbeltjes. Zij hebben onderling groote overeenkomst in bouw ; de eerste, met een grootste diameter van 0,8 mM., ligt in de oppervlakkige scleralagen, zoodat een zestal sclerabundels er overheen loopen, de 2e, 0,8 mM. in doorsnede, half in de sclera, half in de chorioidea, de 3e en 4 e, respect, met een grootste afmeting van 0,5 cn 0,9 mM., bevinden zich in het midden der coupe, waar de bundels van den M. ciliaris nog zichtbaar zijn (cf fig. 3 Tbc, Tbc). De 3e ligt in de chorioideate midden van een weefsel dat er alleen oedemateus, overigens normaal uitziet, dus zonder eenige reactie is, de 4e bevindt zich, met breede basis op het pigmentepkheel zittend, omgeven door de teruggedrongen, nog goed aaneensluitende laag van ciliair-epitheel. Behalve een klein infiltraat in de chorioidea aan de basis van dit knobbeltje ziet men nergens sporen van reactie.

Er is volgens verschillende methoden doch altijd te vergeefs getracht in de praeparaten tuberkelbacillen aan te toonen, zoowel door de Heeren W. M. de Vries en W. H. Smit. als door mij zelve.

De knobbels bezitten geen enkele vaatdoorsnede. Ze vertoonen reuzcncellen die zelfstandig te zien zijn, omgeven door vrije ruimtén ontstaan door retractie bij de harding van object. De reuzencellen