is toegevoegd aan uw favorieten.

Over scleritis, naar aanleiding van twee gevallen van cyclo-scleritis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met hetzelfde resultaat, zoodat patiënt 19 Juni een volkomen rustig oog had. Daarna kwam er nog een knobbeltje aan de bovenzijde, dat nog niet verdwenen was toen patiënt 23 Juni uit het Binnen Gasthuis werd ontslagen. Uit knobbeltje verdween langzamerhand, waarna het oog geruimen tijd rustig oleef.

17 Maart 99 werdt patiënt weer opgenomen met een geelwitten knobbel in de diepere lagen aan den rand der cornea beneden en temporaal, benevens een ulcus en lichte synechiae posteriores.

Het ulcus is spoedig na de opname genezen en het knobbeltje onder vaatvorming teruggegaan, zoodat patiënt hersteld kon worden ontslagen.

Petronc 1 la P. (Polikl. No. 3931, 1898) dienstbode, 25jaar oud, wordt 2 December 1898 opgenomen; was al sinds maanden elders behandeld.

Men ziet aan het rechter oog, dat het stuk sclera dat aan de onderste helft der cornea grenst in een zoom van ± 5 mM. breedte verdikt en blauwrood van kleur is. Boven-neuswaarts is een overeenkomstige zoom van de sclera bloedrijk, maar niet verdikt en boven slaapwaarts vertoont de sclera de blauwe kleur die na de genezing van scleraknobbels overblijft.

In het hoornvlies is beneden neuswaarts een infiltraat dat in de diepere lagen gezeten is en de oppervlakte niet bereikt. In 't centrum van dit infiltraat is een scherp begrensd, volkomen ondoorschijnend geelwit gedeelte dat aan kaas herinnert en een]aantrekkingspunt is voor oppervlakkige en diepe nieuwgevormde hoornvliesvaten.

Dit infiltraat is gaandeweg de oppervlakte van 't hoornvlies meer genaderd zoodat op 20 December het verdachte stukje kaas kon worden weggekrabd en gebracht in de voorste oogkamer van een konijn waar het geen reactie heeft veroorzaakt. Daarna is dit infiltraat snel teruggegaan.

Reeds bij de opname was er een tweede veel kleiner infiltraat neuswaarts en boven in het hoornvlies en gedurende de verpleging in het gasthuis kwamen er temporaalwaarts nog meer bij, die in de diepere lagen van 't hoornvlies gelegen waren en langzamerhand centrepetaal voortschoven; een van deze vertoonde in het centrum weer een klein geelwit ondoorschijnend stipje.

Half December werden op ongeveer 4 mM. afstand van den ondersten omtrek van den cornearand in de conjunctiva 2 fijne grauwe infiltraatjes waargenomen van 0,6 mM. doorsnede, die nooit een ondoorschijnend centrum hebben vertoond.