is toegevoegd aan uw favorieten.

Een Rus te Delfzijl

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen achter in huis. «Die oorlog, die oorlog,» zuchtte ze, en: «Arme Anna, wat zou k je toch graag eens even zien en aanspreken.»

Geert en Wasi meldden zich ondertusschen aan, om adjudant Monthu te spreken. De onderofficier, die de vraag van Geert overbracht, vond Monthu juist in gesprek met den Kommandant. Deze gaf, toen hij hoorde, wie het waren, die iets te zeggen of te vragen hadden, vergunning ze in zijn vertrek te geleiden. Blijkbaar was hij door den voorspoed van dien dag of door den invloed van een welsmakend maal na de vermoeienissen van den morgen, in een goede bui, en hij vroeg schertsend, of hij ook hooren mocht, wat er gezegd zou worden. Monthu, nieuwsgierig, wat de onverwachte verschijning en de ernstige gezichten van Geert en Wasi te beteekenen hadden, bracht de vraag over, en Geert antwoordde, dat hij t juist graag had, als het den Kommandant beliefde naar hem te luisteren. Hij vertelde nu, wat Wasi gezien had en vroeg beleefd om de in vrijheid stelling althans van Wierma, daar er stellig een misverstand heerschte.

De Kommandant, wiens gezicht een heel andere plooi had aangenomen, toen hij bemerkte, waarover Geert het had, viel, nadat Monthu het verzoek vertaald had, min of meer barsch uit, dat dit te zijner tijd onderzocht zou worden. — Hiermee was 't gesprek afgeloopen; Geert vertrok met minder hoop, dan waarmee hij gekomen was.