is toegevoegd aan uw favorieten.

Een Rus te Delfzijl

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den heelen morgen waren er, evenals de vorige dagen, schoten gewisseld; dat schieten waren ze echter al zóó gewoon, dat ze er geen aandacht aan schonken. Alleen als 't schieten eens voor een oogenblik ophield, trof het hun, dat 't zoo stil was. Maar wat nog niet eerder voorgekomen was, gebeurde in dat oogenblik: een vijandelijke kanonskogel kwam binnen de vesting, vernielde juist in hun nabijheid de lantaarn boven de deur van kastelein De Wit, even verder 't aanslagbord voor 't huis van den Maire, daarna een steenen bank en rolde toen voort tot bij de Waterpoort. De schade was gering; maar 't geraas was zóó oorverdoovend, dat de jongens met gebogen hoofd en de handen voor de ooren op de vlucht sloegen en niet eerder ophielden, voor ze goed en wel bij Geert in de schoenmakerij stonden. Deze legde verbaasd het stuk zeildoek, waarvan hij bij gebrek aan leer in den laatsten tijd schoeisel vervaardigde, neer en zag de buiten adem binnenstormende jongens nieuwsgierig aan.

«O, Geert,» begon Wasi: «nu wordt zeker alles plat geschoten!» En Jan: «Breng me alstjeblieft even thuis, Geert: ik durf de straat niet meer door ...»

Met moeite kreeg Geert eindelijk een eenigszins duidelijk verhaal van den kogel, en hoewel de jongens blijkbaar overdreven, begreep hij toch ook, dat het gevaarlijk begon te worden: het kanongebulder herhaalde zich met korte tusschenpoozen.

Dat het gevaar inderdaad niet denkbeeldig was,