is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hut gebracht en door steenen aan iedere zijde bevestigd, waarna er planken overheen gelegd werden, die met eenige omgekeerde tobben en emmers en de kreupele stoelen eindelijk de voorbereidende werkzaamheden voltooiden.

„Masser George leest zoo knap, dat hij het van avond voor ons moest doen," zeide Tante Chloé; „mij dunkt, hij moest hier blijven; het zal dan zooveel te belangrijker voor ons wezen."

George stemde in dit verzoek gereedelijk toe, want knapen van zijne iaren mogen gaarne een voorkomen van gewicht aannemen.

Weldra was het vertrek gevuld met eene gemengde vergadering, van een ouden, grijzen tachtigjarigen patriarch af tot aan den knaap en den ongen van veertien, vijftien jaren. Er werd een schuldeloos gesprek aangeknoopt over allerlei dagelij ksclie zaken, als b. v. waar de oude Tante Sally haar nieuwen rooden doek had gekregen en hoe missis Lizzy haar bevlekt mouselinen kleed wilde geven, wanneer zij haar ander van barêge gereed zou hebben; en hoe masser Shelby voornemens was om een nieuw herteveulen te koopen, dat zeer veel luister aan de plaats zoude geven. Eenige weinigen der opgekomen aanbidders behoorden tot de in de nabijheid wonende familiën, die verlof hadden gekregen om de samenkomst bij te wonen en nu allerlei nieuwtjes medebrachten aangaande hei; leven op de goederen en in de huizen hunner eigenaren, en die hier evenzoo vrij besproken werden als dezelfde soort van kleine bijzonderheden in de hoogere kringen.

Na eene poos begon het zingen, tot zichtbaar vermaak der aanwezigen. Zelfs de min gunstige invloeden der neusklanken kon de uitwerking van de natuurlijk heldere stemmen niet verminderen, die zich in wilde en bezielde klanken lieten hooren. De woorden waren soms die van de welbekende en algemeen gebruikte kerkgezangen, maar soms ook van een wilder, onbepaalder karakter, die men bij de eene of andere bijeenkomst in het open veld had opgedaan.

Terwijl dit tooneel plaats had in de hut van den slaaf, aanschouwen wij een van geheel anderen aard in de woning van den meester.

Mr. Shelby zat in zijne eetzaal aan eene met papieren en schrijfgereedschap bedekte tafel. Tegenover hem stond een man, wiens voorkomen een groot contrast met het zijne vormde. Hij was kort en gedrongen, had ruwe, gemeene gelaatstrekken, die een winderige driestheid te kennen gaven en welke den man van lage afkomst kenmerkten, die zich met geweld in de wereld zoekt te verheffen. Op zijn aangezicht lag een kwalijk verborgen glimlach van zelfvoldoening, die genoegzaam verried, dat hij zoo even een goeden koop had gesloten. Mr. Shelby daarentegen was blijkbaar ontevreden, en naar zijn voorkomen te oordeelen, zou men gezegd hebben, dat zijn