is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoel voor recht en billijkheid door een onaangenaam voorval geschokt was geworden. Hij was bezig om eenige papieren in te zien, die h*j vervolgens

aan den handelaar toereikte.

„Dat is alles in orde," zeide deze, „en ze behoeven dus nog maai alleen

geteekend te worden."

' Mr Shelby haalde de verkoopbrieven haastig naar zich toe en teekende die met de drift van iemand, die zich gaarne van een onaangename zaak wil ontdoen, en schoof ze vervolgens met het geld weder terug. Haley haalde uit een versleten valies een perkament te voorschijn, dat h^na het even te hebben ingezien, aan mr. Shelby ter hand stelde, die het met een

blik van onderdrukten wrevel aannam.

Wel, zoo is die zaak dan afgedaan," zeide de handelaar, opstaande, 'zij is afgedaan," antwoordde mr. Shelby op peinzenden toon, en terwijl

hij diep ademhaalde, herhaalde hij: „Zij is afgedaan."

..Het komt mij voor, dat gij er niet zeer mede zijt ingenomen, merkte

de handelaar aan. . ..

Haley," zeide mr. Shelby, „ik hoop dat gij u zult herinneren, wat gij

mij beloofdet, dat gij namelijk Tom niet zult verkoopen, zonder te weten

in welke handen hij komt."

Nu, het is gebeurd, mijnheer," antwoordde de slavenhandelaar. „Gij weet wel, dat de omstandigheden er mij toe noodzaakten," zeide

mr. Shelby eenigszins hoogmoedig.

Wel gij weet, dat de omstandigheden mij ook kunnen noodzaken,

hernam Haley; „evenwel zal ik alles doen wat ik kan, om voor Tom eene

goede plaats te vinden, en gij behoeft niet bang te wezen, dat ik hem slecht

behandelen zal. Ik mag Goddank! zeggen, dat ik nimmer wreed ben.

HOOFDSTUK III.

OOM TOM WOEDT WEGGEVOERD.

Weinig dacht Oom Tom, toen hij zich op dien avond na het scheiden der bijeenkomst ter ruste legde, welk eene ellende hem boven het hoofd hing. Weinig vermoedde hij onder het aanheffen van den slotpsalm, dat hij voor de laatste maal zijne stem vereenigd had met die van hen, met wie hij zoo gaarne in het gezang den lof verhief van „Hem. door wien zij verlost waren geworden." Weinig vermoedde de arme, eerlijke neger, dat zijn