is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zucht zijne borst krampachtig bewoog. „Masser heeft mij tot nog toe altijd op mijne plaats gevonden, en hij zal dit ook steeds. Ik ben nooit ontrouw geweest en heb nooit tegen mijn woord gehandeld en zal dit ook nimmer. Het is beter voor mij alleen te gaan. dan dat allen verkocht worden en deze schoone plaats ook. Gij moet masser niet berispen, Chloé; hij zal voor u zorgen en voor . . . ."

Hij wendde zich naar de ruwe hangmat met de kleine wollige hoofden, en hij scheen geheel ter neer gedrukt. Hij leunde over den rug van zijn stoel en bedekte zijn gelaat met de forsche handen. Zijn hevig, luid gesnik deed den stoel schudden, en groote tranen vielen tusschen zijne vingers door op den grond.

Wij zullen het overige van dezen dag. zoo vol van bitterheid voor de bewoners van Oom Toms hut, met stilzwijgen voorbijgaan. Eene smart gelijk de hunne kan niet worden beschreven — zij is te diep zoowel voor de tong als voor de pen. Het bewustzijn, dat dit de laatste dag zou wezen, die zij met elkander op aarde zouden doorbrengen, gepaard met de vreeselijke onzekerheid nopens de plaats, werwaarts de arme Oom Tom gezonden zoude worden en welken meester hem ten deel zou vallen — ze waren veel verschrikkelijker dan wanneer de hand des doods hem had weggenomen, en Tante Chloé besefte, dat zij dan had kunnen zeggen: „Des Heeren wil geschiede !" en zij zich in onderwerping voor Hem had kunnen buigen; maar nu werd zij door geheel verschillende gewaarwordingen bewogen en toorn vermengde zich met haren kommer . . .

Grauw en nevelig zag de Februari-morgen door het venster van Oom Toms hut. Hij begroette verslagen aangezichten, de afbeeldsels van bedrukte harten. De kleine tafel stond uitgeslagen bij het vuur en was met een strijkdeken bedekt; een paar grove, maar zindelijke hemden, zoo pas onder het ijzer weggekomen, hingen aan de zijde van liet vuur over een stoel; een ander lag vóór Tante Chloé op de tafel uitgespreid. Met de meeste zorgvuldigheid streek zij iedere naad en plooi glad, terwijl zij nu en dan het hoofd ophief om de tranen weg te wisschen, die haar langs de wangen biggelden.

Tom zat daar met den opengeslagen Bijbel op de knieën en rnet het hoofd op de hand gebogen, maar hij sprak geen enkel woord. Het was nog vroeg en de kinderen sliepen allen nog rustig op hunne kleine, ruwe legerstede.

Oom Tom, die geheel het zachte, voor het huiselijk leven zoo gevoelig hart bezat, dat, tot verzwaring van hun ongeluk, een hoofdkenmerk is in het karakter van zijn rampzalig ras, stond op om zwijgend zijne sluimerende kinderen aan te staren.