is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogeren maatschappelijken stand behoord, zoo zou hij misschien daaraan nimmer hebben gedacht. De dag spoedde echter heen en des avonds waren beide reizigers in Washington veilig opgenomen, de een in eene herberg, de andere in eene gevangenis.

Na verloop van eenige dagen zien wij Haley met zijn levende bezittingen veilig aan boord van een der stoombooten op de Ohio. Het getal slaven, dat hij bij zich had, zou, naarmate de boot op haren tocht vorderde, vermeerderd worden door verschillende aankoopen, die hij of zijne ondergeschikten voornemens waren langs de kust te doen.

La Belle Rivière, een vaartuig zoo stout en schoon als ooit de golven van den stroom doorkliefde, naar welke zij genoemd was, stevende vroolijk door de wateren en onder een schitterenden hemel, terwijl de sterren en de strepen van het vrije Amerika vroolijk in de lucht wapperden. Het dek wemelde van sierlijk gekleede heeren en dames, die zich al wandelende in het genot van den schoonen dag verlustigden. Alles was leven, opgewektheid en vreugde, behalve bij Haley's bende, die met andere koopwaren op het benedendek gelegerd was.

Tom bevond zich op het bovendek van het schip, toen ik u het eerst met hem bekend maakte. Gij herinnert u, dat gij hem zitten zaagt op een baal katoen en verdiept in het lezen van zijn Bijbel, en nu, teruggekeerd op het punt van waar wij onze geschiedenis begonnen, moet ik u ook het een en ander mededeelen aangaande de overige zich aan boord bevindende reizigers.

Tot hun getal behoorde ook nog een jeugdig heer van aanzien en vermogen, met name St. Gare en te New-Orleans woonachtig. Hij had een dochtertje van omstreeks vijf of zes jaren bij zich. benevens nog een andere dame, die een bloedverwante van beiden was en hoofdzakelijk met de zorg voor het kleine meisje belast scheen te zijn.

Oom Tom had nu en dan een vluchtigen blik op het kind geworpen, want zij was een van die woelige, levendige schepsels, die zelden langer op een en dezelfde plaats blijven dan een zonnestraal of een zonnewindje; maar zij was tevens een dier wezens, wier trekken men niet gemakkelijk vergeet, na die eens gezien te hebben.

Haar gestalte was van een volmaakte kinderlijke schoonheid, zonder dat men iets van de gewone dikhoofdigheid en lompheid der kinderen bij haar kon opmerken. Alles aan haar droeg het kenmerk van bevalligheid. Haar gelaat was opmerkelijk, minder om de volmaakte schoonheid deitrekken, dan om de bijzondere, denkende uitdrukking, welke een ieder verbaasd deed staan die haar zag, zoodat zelfs de stompzinnigste zich getroffen gevoelde, zonder eigenlijk te weten waardoor. De vorm van haar hoofd en