is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tom klom van het rijtuig af en zag met een blik van kalme, stille verbazing in het rond. De neger, dit dienen wij in het oog te houden, is een vreemdeling in al de schoone en uitmuntende landen der wereld ; maar diep in zijn hart ligt een sterke hartstocht voor al wat schitterend, rijk en van invloed op de verbeelding is, een hartstocht, die, geleid door een zuiveren, maar onbeschaafden smaak, hem blootstelt aan den spot van het koeler en juister denkende blanke menschenras.

St. Clare, wiens hart geheel gevoel en poëzie was, glimlachte, toen miss Ophelia haar aanmerkingen maakte, en zich tot Tom wendende, die vol verwondering in het rond stond te kijken en wiens gelaat van opgetogenheid schitterde, zeide hij :

„Nu, Tom, mijn jongen, het schijnt je hier wel te lijken."

„Ja, masser, het ziet er hier alles overheerlijk uit," was het antwoord van den neger.

Dit alles geschiedde in een enkel oogenblik, terwijl de koffers werden afgeladen, de voerman zijn betaling ontving en een menigte menschen, mannen, vrouwen en kinderen op de bovenste zoowel als op de benedenste galerij verschenen om masser te zien terugkeeren. Aan hun hoofd stond een fraai gekleede, jonge mulat, blijkbaar een zeer onderscheiden persoon, die naaiden allerlaatsten smaak was gekleed en bevallig met een welriekenden zakdoek van Indische zijde wuifde.

Deze persoon had zich alle moeite gegeven om de overige bedienden naar het andere einde der veranda terug te drijven.

„Terug gij allen! ik moet mij voor je schamen!" riep hij op een toon van gezag. „Wil je reeds in het eerste uur van zijn terugkomst je in je meesters zaken dringen?"

Allen schenen beschaamd bij deze hoogdravende woorden, die met veel deftigheid werden uitgesproken, en op eerbiedigen afstand stonden zij op elkaar gedrongen, uitgenomen twee forsche portiers, die de pakgoederen begonnen weg te brengen.

Ten gevolge van de door meester Adolph gegeven bevelen was er, toen St. Clare uit het rijtuig stapte, niemand zichtbaar dan zijn zwierige persoon, sierlijk uitgedost in een satijnen vest, gouden ketting en witten pantalon, en buigende met onbeschrijfelijke bevalligheid en losheid van manieren.

„Zoo, Adolph, zijt gij daar!" riep zijn meester hem toe, hem vriendelijk de hand toestekende; „hoe gaat het jongen ?" terwijl Adolph uit het hoofd een welkomstgroet uitsprak, waarop hij reeds veertien dagen lang zich had geoefend.

„Wel, wel," zeide St. Clare, met zijn gewoon voorkomen van zorgelooze plagerij voortgaande, „dat is zeer goed opgesteld, Adoph ! Komaan, ga toezien