is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat mijn goederen alle op hun plaats worden bezorgd. Ik zal met een minuut bij mijn volk komen.'' Na deze woorden geleidde hij miss Ophelia naar een ruime spreekkamer, die op de veranda uitkwam.

Terwijl dit alles voorviel, was Eva, vlug en vroolijk als een vogel, dooide spreekkamer naar een ander, kleiner vertrek gesneld, dat insgelijks op de veranda uitkwam.

Ben rijzige, bleeke, ziekelijke vrouw met donkere oogen hief zich een weinig op van de rustbank, op welke zij lag uitgestrekt.

„Mama!" riep Eva in een soort van vervoering uit, terwijl zij zich aan den hals harer moeder wierp en haar herhaaldelijk met alle teekenen van liefde omhelsde.

„Het is al goed zoo, kind; wees voorzichtig, of gij zoudt mijn hoofdpijn erger maken," zeide de moeder, na haar even gekust te hebben.

Nu trad St. Clare binnen, die zijn vrouw op hartelijke, oprechte, maar luchtige wijze omhelsde, waarna hij zijn nicht aan haar voorstelde. Marie vestigde haar groote, donkere oogen met een eenigszins nieuwsgierigen blik op miss Ophelia en ontving haar met een kwijnende beleefdheid. Een menigte bedienden verdrong zich nu voor de buitendeur, en in hun midden bevond zich een mulattin van middelbaren leeftijd, die zich met een uitdrukking van vreugde en verwachting voor de anderen uitdrong.

„O, daar is Mammy!" riep Eva uit, terwijl zij door de kamer vloog, zich in de armen van de vrouw wierp en haar herhaalde malen teeder kuste.

Deze vrouw klaagde niet, dat het kind haar hoofdpijn veroorzaakte, maar zij drukte het integendeel in de armen en lachte en schreide, zoodat men moest twijfelen of zij wel bij haar verstand was, en toen zij het kind eindelijk losliet, vloog Eva van den een naar den ander, allen kussende en de handen drukkende op eene wijze, dat miss Ophelia later verklaarde, er geheel door bewogen te zijn geworden.

„Wel," zeide miss Ophelia, „uwe kinderen uit het Zuiden doen dingen, die ik niet van mij zou kunnen verkrijgen!"

„En wat dan wel, als het u belieft ? vroeg St. Clare.

„Nu, ik weet, dat ik tegen ieder vriendelijk behoor te zijn, en niemand mag beleedigen, maar zoo . . ."

„Negers te kussen," zeide St. Clare, „dat is u te sterk, niet waar?"

„Ja, dat is het; hoe zou ik zulks kunnen doen ?"

St. Clare lachte, terwijl hij in de gang trad. „Hollah daar, wat is hier te doen ? Komt hier, gij allen, Mammy, Jimmy, Polley, Sukey, - wel, zijt ge blijde, dat gij uw masser wederziet?" zeide hij, den een na den ander de hand drukkende. Maar pas dan toch op de jongen!" vervolgde hij, over