is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ze schijnt mij een zeer goed kind te zijn," antwoordde miss'Ophelia; „ik moet zeggen dat ik er nooit beter heb gezien.''

„Eva is een zonderling wezen," hernam haar moeder, „zeer zonderling, zij heeft niet het minste van mijn karakter," en Maria zuchtte, alsof dit een waarlijk zeer betreurenswaardig geval was.

Miss Ophelia zeide bij zich zelve: „Ik hoop dat dit de waarheid is!" Maar zij was voorzichtig genoeg om haar werkelijke gedachten niet uit te spreken.

„Eva wil gaarne altijd bij de dienstboden wezen, en ik geloof, dat dit ook niet kwaad voor sommige kinderen is. Ook ik speelde bij voorbeeld dikwerf met mijns vaders kleine negers, en het heeft mij nimmer eenige schade gedaan. Maar Eva schijnt zich daarbij te veel op gelijken voet te stellen met een ieder dien zij ontmoet, en dat is een zonderlinge gewoonte van het kind. Ik heb haar nooit terug kunnen houden en ik geloof, dat St. Clare haar er zelfs toe aanmoedigt. Het is inderdaad de waarheid, dat St. Clare jegens ieder onder zijn dak toegeeflijk is, behalve jegens zijn arme vrouw."

Miss Ophelia verzonk opnieuw in een diep stilzwijgen.

„Nu ken ik geen ander middel om met bedienden klaar te komen," zeide Marie, „dan om hen onder tucht te brengen en streng onder tucht te te houden, en hen te doen gevoelen wat zij zijn. Dit is altijd zoo mijn gewoonte geweest, zelfs van kindsbeen af. Eva alleen is genoeg in staat om een geheel huisvol te bederven. Ik verklaar ronduit, niet te begrijpen, wat zij eens zelve wel niet zal doen als zij een eigene huishouding heeft, Ik houd er van om altijd vriendelijk jegens de dienstboden te zijn en ik ben het zelf ook altijd; maar men moet hen leeren gevoelen wie en wat ze zijn. Eva doet dit nimmer, en het is een zaak van onmogelijkheid om het kind maar eenigszins te doen begrijpen, welk een onderscheid er tusschen haar en een bediende staat. Gij hebt het immers zelve gehoord, hoe zij zich durfde aanbieden om bij mij des nachts te waken, terwijl Mammy dan zou kunnen gaan slapen! Op zulk een wijze zou het kind waarlijk altijd gaan handelen, indien zij aan zich zelve werd overgelaten."

„Welnu," zeide miss Ophelia, zonder omwegen te gebruiken, „ik hoop toch, dat gij uwe bedienden als menschelijke wezens beschouwt, die ook aanspraak hebben op eenige rust, wanneer zij vermoeid zijn?"

„Wel zeker! zeer natuurlijk! Ik ben er zeer op gesteld, dat zij behoorlijk alles ontvangen wat hun toekomt, voor zoo veel welvoegelijk is namelijk, begrijpt gij? Mammy kan nu en dan gaan slapen; daaromtrent bestaat niet de minste zwarigheid. Maar zij is het slaperigste schepsel dat ik ooit heb gezien; of zij zit, of zij staat, en of zij het een of ander doet, overal en altijd slaapt zij en kan zij slapen. Er is volstrekt geen gevaar bij dat Mammy