is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen slaap genoeg zal krijgen. Doch het is waarlijk belachelijk om bedienden zoo te behandelen, alsof zij zwakke bloemen of broze porseleinen vazen zijn," vervolgde Marie, terwijl zij in de kussens van een wijde, zachte rustbank nederzonk en haar sierlijk geslepen reukfleschje naai zich toehaalde.

„Gij ziet," vervolgde zij met een zwakke, voorname stem, „gij ziet, nicht Ophelia, dat ik niet veel van mij zelve spreek. Dit is mijn gewoonte niet, en het is mij ook niet aangenaam, te meer daar ik er geen kracht toe heb. Maar er zijn vele punten, waarin ik en St. Clare zeei van elkander verschillen. St, Clare heeft mij nooit verstaan of begrepen, en ik geloof dat dit de oorzaak van al mijn kwalen is. St. Clare meent het goed, dat moet ik bekennen, maar de mannen zijn over het algemeen zoo baatzuchtig en gebruiken zoo weinig inschikkelijkheid voor hun vrouwen; ik ten minste

gevoel dat dagelijks."

Miss Ophelia, die niet weinig van de Nieuw-Engelsche omzichtigheid bezat, en daarbij een hevigen afkeer er van had om zich in de huiselijke onaangenaamheden van anderen te mengen, begon nu in te zien dat haar iets van dien aard boven het hoofd hing, en trok dus haar gelaat in een plooi van scherpe onzijdigheid en haalde uit haar zak een stuk van een kous te voorschijn, dat zij, volgens den raad van zeker iemand, beschouwde als een redmiddel voor sommige lieden, wanneer zij voor hun ledige handen geen werk hebben, en dus ook hun mond niet weten te bedwingen, en begon met allen mogelijken ijver te breien, terwijl ze haar lippen op elkander sloot met een uitdrukking in haar gelaat, die even zooveel wilde zeggen als: „Gij kunt u de moeite besparen om mij aan het spreken te brengen. Ik begeer liefst niet met uw zaken te doen te hebben." Zij toonde dan ook inderdaad even zoo veel medelijden als een uit steen gehouwen leeuw. Doch Marie bekreunde zich daarover niet, Zij had immers iemand met wie zij spreken kon, en zij beschouwde het als haar plicht om te spreken, en dat was haar genoeg, en na opnieuw van haar reukfleschje gebruik

gemaakt te hebben, vervolgde zij:

„Gif weet, dat ik mijn uitzet en mijn bedienden heb meegebracht, toen ik St. Clare huwde, en daarom heb ik dan ook het wettige ïecht om met hen naar welgevallen te handelen. St. Clare heeft zijn eigen \ ei mogen en zijn eigen bedienden, en ik zou dus reeds volkomen tevreden zijn, indien hij zich alleen bij hen bepaalde en met hen naar zijn eigene verkiezing handelde; maar St. Clare bemoeit zich daarenboven ook nog altijd met de zaken van anderen. Hij heeft zulke vreemde, ongerijmde denkbeelden, en vooral wat de bedienden en hunne bejegening betreft. Hij handelt waarlijk, alsof hij zijn bedienden boven mij en zich zeiven stelt, want hij laat hen handelen en doen zooals zij verkiezen, zonder een enkelen vinger to