is toegevoegd aan je favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ofschoon ik er zoo rechtstreeks door in het gezicht getroffen beu, dat ik die niet dadelijk naar waarde op prijs wist te stellen."

„Ik voor mij zie weinig of geen nut in al die woorden," merkte Marie aan. .,Indien iemand meer voor zijn bedienden doet dan wij doen, zoo mocht ik waarlijk wel eens weten wie dat zou zijn, en het baat toch ook niets, in het geheel niets — zij worden nog hoe langer hoe slechter. "Wat de noodzakelijkheid betreft van tot hen te spreken, ik ben overtuigd, dit gedaan te hebben tot ik moe en heesch was; ik heb hun hunne plichten en zoo al meer voorgehouden, en zij hebben vrijheid om naar de kerk te gaan wanneer zij verkiezen, ofschoon zij geen enkel woord van de preek verstaan, ja weinig meer dan jonge biggen, en dus is het ook al van weinig nut voor hen of zij er heen gaan of niet; doch zij doen het en kunnen er dus hun voordeel van hebben; maar zooals ik zeide, zij zijn een ontaard ras en zullen dit altijd blijven, zoodat er ook niets voor hen te doen is; gij kunt een proef met hen nemen wanneer gij dat verkiest, maar het zal u niet baten. Gij ziet, nicht Ophelia, dat ik het beproefd heb, en gij nog niet. Ik werd in hun midden geboren en opgevoed — ik verzeker u, dat ik hen ken."

Miss Ophelia meende genoeg gezegd te hebben en bewaarde daarom het stilzwijgen. St. Clare floot een deuntje.

„St. Clare, ik wenschte wel datje ophieldt met fluiten," zeide Marie; „mijn hoofdpijn wordt er erger door.-'

„Ik zal niet meer fluiten," antwoordde St. Clare. „Is er ook nog iets anders, dat je zoudt wenschen dat ik niet deed?"

„Ik wenschte wel, dat je wat meer mededoogen met mijn lijden hadt; je betoont mij nimmer eenig gevoel."

„Ach, mijn allerbeste, beschuldigende engel!" zeide St. Clare.

„Het is tergend om op zulk een wijze aangesproken te worden.

„Hoe verkies je dan dat ik tot je spreek? Ik zal gehoorzamen; zeg mij slechts op welk een wijze ik je voldoening schenken kan."

Op dit oogenblik klonk een vroolijk gelach van buiten dooi de zijden gordijnen der veranda. St. Clare deed eenige schreden voorwaarts, lichtte het gordijn op en begon insgelijks te lachen.

„Wat is er?" vroeg miss Ophelia, insgelijks naar de deur toetredende.

Daar zat Tom op een kleine zodenbank aan het einde van het plantsoen; al de knoopsgaten van zijn rok waren van Kaapsche jasmijnen voorzien, terwijl Eva vroolijk lachende hem een krans van rozen om den hals hing en zich vervolgens als een dartel muschje op zijn knie plaatste.

„O. Tom, wat zie je er koddig uit!" riep zij, in de handen klappende, uit.

Er lag een zachte, welwillende glimlach op het gelaat van Tom, wien de grap evenzeer, als zijn jonge meesteres scheen te bevallen. Hij sloeg zijn