is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogen, toen hij haar vader ontdekte, met een half smeekenden, half verschooning verzoekenden blik op.

„Hoe kunt ge zoo iets toelaten?" vroeg miss Ophelia.

„En waarom niet? zeide St. Clare.

„Wel, dat is immers allerzotst."

„Je zoudt er toch geen kwaad in zien, dat een kind een grooten hond, al ware het ook een zwarten, liefkoosde; maar nu zij het een wezen doet, 'twelk denken en redeneeren en gevoelen kan, en dat onsterfelijk is, nu huiver je; beken dit maar, nicht! Ik ken de onder de bewoners van het Noorden heerschende begrippen zeer goed. Ik zeg niet, dat er eenige deugd is in onze wijze van handelen, maar de gewoonte doet bij ons wat het werk van het Christendom behoorde te wezen. Ik heb gedurende mijn reizen in het Noorden opgemerkt, hoe veel sterker dit daar was dan hier bij ons. Gij verafschuwt hen, gelijk gij het een slang of pad zoudt doen, en toch zijt ge verontwaardigd over het ongelijk, dat zij moeten verduren. Gij wilt hen niet mishandeld zien, maar ge wenscht zelf ook niets met hen te doen te hebben. Gij zoudt hen naar Afrika zenden, opdat gij hen maar niet meer zien of ruiken mocht, en hen later te doen volgen door een paar zendelingen, om al de zelfverloochening te smaken, van hen daar gi;ids op te voeden. Is het niet zoo ?"

„Ja, neef," antwoordde miss Ophelia, „daar is misschien wel iets waars in gelegen."

„Wat zouden die armen en nederigen doen zonder kinderen ?" vervolgde St. Clare, zich over de leuning heenbuigende en de oogen op Eva vestigende, terwijl zij kwam aantrippelen en Tom met zich voerde. „Uw eenige ware volksvriend nu is het kleine kind: Tom is een held in haar oogen; zijn verhalen zijn haar wonderbaar, zijn lofzangen en methodistische liederen zijn beter voor haar dan de opera, en de kleine snuisterijen, die hij in zijn zak heeft, een mijn van kostbaarheden, voortreffelijker dan edelgesteenten; en hij zelf is voor haar de zonderlingste Tom, die ooit in een zwarte huid stak. Dit is een der rozen uit het paradijs, die de Heer op aarde laat bloeien voor de armen en nederigen, die in andere opzichten zoo karig zijn bedeeld."

„Het is zonderling, neef," zeide miss Ophelia; je spreekt op een wijze, dat men je bijna als een belijder zou beschouwen."

„Als belijder ? Wat meen je, waarde nicht ?" vroeg St. Clare.

„Ja, als belijder van den godsdienst."

„In 't geheel niet, geen belijder ben ik, zooals men die onder de stadslieden vindt, en wat erger is, ik vrees dat ik zelfs geen beoefenaar ben."

„Hoe kunt ge dan alzoo spreken?"