is toegevoegd aan je favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Och, niets is gemakkelijker dan dat!" zeide St. Clare. „Ik geloof, dat Shakspeare iemand zeggen laat: „Ik zou eerder aan twintig kunnen aanwijzen, wat goed was te doen, dan een van de twintig zijn om mijn eigen aanwijzing te volgen." Niets is grooter dan het verschil tusschen de verdeeling van den arbeid. Ik ben krachtig in het spreken, en gij nicht, zijt krachtig in het handelen."

In Toms uitwendige omstandigheden was het tegenwoordige niets waarover de wereld zeggen zou, dat iets te klagen viel. De genegenheid der jonge Eva — haar instinctmatige dankbaarheid en de beminnelijkheid van een edele natuur — hadden haar geleid om haar vader te verzoeken, hem aan haar af te staan, indien zij het geleide van een bediende op haar wandelingen of uitstapjes in het rijtuig noodig had, en Tom had strikte bevelen ontvangen om alles te laten staan en miss Eva te volgen wanneer zij hem noodig mocht hebben — bevelen, die de lezer zich zeker wel zal kunnen verbeelden, dat Tom alles behalve onaangenaam waren.

Hij ging goed gekleed, want dit was een punt, waarop St. Clare bijzonder gesteld was. Zijn werkzaamheden in den stal waren bloot een eerepost en bestonden alleen in een dagelijks nazien en zorgdragen, dat door een minderen bediende diens plichten werden vervuld; want Marie St. Clare verklaarde, dat zij den reuk der paarden niet aan hem verdragen kon, wanneer hij in haar nabijheid verscheen, en begeerde dat men volstrekt geen bezigheden van hem moest vorderen, waardoor hij haar onaangenaam kon worden, omdat haar zenuwgestel te zwak was iets van dien aard te kunnen verdragen, daar alleen de reuk van iets onaangenaams voldoende zou wezen een einde aan haar aardsche leven en haar veelvuldige beproevingen te maken. Tom zag er in zijn wel geschuierden rok met breede panden, gladde laarzen, helder witte hemdsmouwen en halsboorden deftig genoeg uit om een bisschop van Carthago te zijn, gelijk in vroeger eeuwen mannen van zijn kleur dit waren.

Daarenboven bewoonde hij een schoone plaats, iets dat voor het gevoelige negerras niet onverschillig is, en met blijdschap bespiedde hij de vogels, de bloemen, de fonteinen, en genoot hij al het geurige en schoone en heldere van de pleinen en zijden gordijnen en schilderijen, de kronen en beelden, en al dat verguldsel, dat van het inwendige der vertrekken voor hem een soort van Aladdins paleis maakte.

„Waar is Eva?" zeide Marie op zekeren Zondagmorgen, terwijl zij