is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het is mij ook niet recht goed, masser; — ik meende altijd, dat masser jegens iedereen goed was."

„Wel, Tom, ben ik dat dan niet geweest? Komaan, zeg het mij, wat begeer je? Is er iets niet naar je zin, en is dit de inleiding tot je verzoek?"

.Masser is altijd goed jegens mij geweest en ik heb over niets te klagen. Maar daar is toch een, jegens wien masser niet goed is."

„Wel, Tom, wat krijg je nu in 't hoofd? Spreek op, wat meen je?"

„Gister nacht tusschen een en twee uur kwam mij dat zoo in den zin. Ik heb er over nagedacht. Masser is niet goed jegens zich zeiven."

Tom zeide dat met den rug naar zijn meester gekeerd en met de hand aan de kruk van de deur geslagen. St. Clare gevoelde, dat het gelaat hem bloedrood werd, maar hij lachte.

„O, is dat alles?" riep hij vroolijk uit.

„Alles!" herhaalde Tom, zich plotseling omkeerende en zich op zijn knieën werpende. „Och. mijn dierbare jonge meester, ik vrees, dat zoo alles, lichaam en ziel, verloren zal gaan. Het goede Boek zegt: „Het bijt gelijk een slang, en steekt als een adder," masser."

Toms stem beefde, en de tranen liepen hem langs de wangen.

„Arm, onnoozel schepsel," zeide St. Clare, terwijl ook hem de oogen vol tranen kwamen; „sta op, Tom, ik ben niet waard, dat je om mij schreit."

Maar Tom stond niet op — hij bleef ootmoedig in zijn biddende houding liggen.

„Nu, het zal mij niet weder gebeuren, Tom," zeide St. Clare; „waarlijk niet, en, geloof mij, ik weet niet waarom ik al sedert lang niet met zulk een levenswijze heb opgehouden. Ik heb die altijd veracht en mij zeiven ook, omdat ik er aan heb toegegeven, en dus, Tom, wees nu gerust; wisch je oogen af en ga je boodschappen doen. Kom, kom," vervolgde hij, terwijl hij Tom zacht en vriendelijk naar de deur schoof, „geen dankbetuigingen of zegenwenschen; ik ben zoo vreeselijk goed niet als je wel meent. Ziedaar, Tom, ik beloof je op mijn eer, dat je mij niet weder zoo zult aantreffen."

Na deze verzekering ging Tom heen en wischte wel voldaan zijn tranen af.

„En ik zal mijn aan hem gegeven woord ook houden," zeide St. Clare, na de deur gesloten te hebben. En inderdaad, hij bleef ook aan zijn gelofte getrouw.

Maar wie zal het wagen, al de moeielijkheden te schetsen, die onze vriendin, miss Ophelia, wachtten, toen zij het bestuur eener huishouding naar den zuidelijken trant aanvaardde?

Op den eersten morgen van haar regentschap was miss Ophelia reeds om vier uur bij de hand, en na haar kamer in orde gebracht te hebben, gelijk zij van den dag harer komst af gewoon was geweest zelve te doen,