is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan mijn hoofd op haar schoot legde, en weende en droomde, en dingen en gewaarwordingen gevoelde, voor w elke ik geen \\ ooi den \ inden kon.

„In die dagen werd er nooit zoo over de slavernij gesproken gelijk dat tegenwoordig geschiedt; niemand droomde toen, dat er eemg kwaad in

gelegen was. , ,

Mijn vader gebruikte omstreeks vijfhonderd negers; hij was een voort-

varend man, met een onverzettelijk karakter; - alles moest naar een volstrekten regel gaan, en alle mogelijke nauwgezetheid en stiptheid moesten

daarbij in acht genomen worden.

„Hij had een opziener, een groot, forsch, sterk gespierd man, die zich

trapsgewijze in hardvochtigheid en beschaamdheid had volmaakt. Mijn moeder kon hem nimmer dulden, en ik evenmin; maar hij had een bepaalden invloed bij mijn vader, en zoo was hij eigenmachtig heerschei op

diens goederen. .

Ik was toen nog maar een jonge knaap, doch reeds in dien tijd koesterde" ik evenals thans een vurige liefde voor alle menschelijke wezens een soort van hartstochtelijken zucht om mij toe te leggen op de studie der menschheid, om 'teven in welke gedaante zij zich aan mij voordeed. Men vond mij in de negerhutten en dikwerf te midden der arbeiders op het land; ik stond derhalve bij de meesten in groote gunst, en alle sooiten van klachten en grieven klonken mij in de ooren, die ik aan mijn moedei overbracht, en wij vormden met elkander een soort van overeenkomst tot herstel dier grieven, indien dat mogelijk ware. Wij voorkwamen een menigte wreedheden, en wij wenschten ons zeiven geluk, omdat wij vee goeds mochten doen, totdat wij onzen ijver overdreven. Stubbs, zoo heette de opziener, beklaagde zich bij mijn vader, dat hij de orde met langer konde handhaven en van zijn betrekking afstand moest doen. Mijn vader was een teeder, inschikkelijk echtgenoot, maar die nooit afzag van iets, dat hij a s noodzakelijk beschouwde, en derhalve verklaarde hij aan mijn moeder op een wel bescheiden en vriendelijken, maar tevens beslissenden toon, dat zij onbepaalde meesteres over de bedienden binnenshuis zoude wezen, maai dat zij zich hoegenaamd niet mocht bemoeien met de overigen, die op het

veld werkten.

Ik hoorde mijn moeder later dikwerf met hem over de zaak spreken en merkte op, hoezeer zij zich beijverde om hem tot haar gevoelens over te halen. Hij luisterde met de grootste beleefdheid en inschikkelijkheid naai haar woorden. „Alles," placht hij dan te zeggen, „ligt in deze eene vraag opgesloten: moet ik Stubbs behouden of hem laten gaan? Stubbs is me lijf en ziel de nauwgezetheid zelve; hij is eerlijk en werkzaam en daarenboven is hij zoo menschelijk, als men van iemand in zijn stand kan ver-