is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kind stond op en wees met haar kleine hand naar boven. De glans van de avondzon scheen haar gouden lokken en gloeiende wangen met een soort van bovenaardsch licht te bestralen, en haar oogen waren vol ernst op

de wolken gericht.

„Daarheen ga ik, Oom Tom," zeide zij, „naar die heilige geestenscharen, en ik ga er spoedig heen."

Het oude trouwe hart van Tom gevoelde plotseling een zekere angstige beklemming en het schoot hem nu te binnen, hoe dikwerf hij had opgemerkt, dat sedert de laatste zes maanden Eva's kleine handen magerder, haar huid doorschijnender en haar ademhaling korter geworden was, en hoe zij tegenwoordig door het loopen en spelen in den tuin dadelijk vermoeid en afgemat werd, terwijl haar dit zelfs uren achtereen niet lastig was geworden. Hij had miss Ophelia dikwijls van zekeren kuch hooren spreken, die het kind door allerlei soort van geneesmiddelen niet kon worden afgenomen, en zelfs nu brandden haar wangen en handen van een koortsachtig vuur; maar toch was de gedachte, die in Eva s woorden lag opgesloten, nooit eerder dan thans bij hem opgekomen.

De samenspraak tusschen Tom en Eva werd afgebroken door een haasstig geroep van de bezorgde miss Ophelia.

„Eva! Eva! kind er valt zulk een dauw - je moet niet langer buiten

blijven!"

Eva en Tom spoedden zich naar binnen.

Miss Ophelia was reeds bejaard en zeer bedreven in alle vakken dei kinderlijke opvoeding. Zij was gelijk gij weet, uit Nieuw-Engeland afkomstig en was goed bekend met de eerste langzame voetstappen dier zachte en bijna onmerkbare ziekte, die zoovele der schoonste en beminnelijkste wezens wegsleept en hen, voordat nog een enkele levensdraad schijnt verbroken te zijn, onherroepelijk tot een vroegen dood bestemt.

Zij had dien zacliten, drogen kuch wel opgemerkt en dat dagelijksch gloeien harer wangen, evenals ook het flikkeren harer oogen en haar opgewondenheid, die door sluipkoortsen veroorzaakt worden.

Zij trachtte haar vrees aan St. Clare mede te deelen, maar deze wees haar onheilspellende vermoedens af met een onrust, die zeer weinig bij zijn gewoon zorgeloos, vroolijk humeur paste.

„Och, bekommer je toch niet al te zeer, nicht; je moet niet altijd kwaad zien - ik houd daar niet van," zeide hij dan meestal. „Zie je dan niet, hoe het kind groeit ? Kinderen verliezen altijd door sterk groeien iets van hun krachten."

„Maar zij heeft zulk een drogen kuch!"

.Och, gekheid, aie kuch beteekent niets! Heeft zij misschien ook een weinig koude gevat?"