is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Helaas, dat was ook denzelfden weg, langs welken ElizaJane, en Ellen

en Maria Sanders werden weggenomen."

„Och, zwijg toch van die nare verhalen! Gij bejaarde lieden wordt ook zoo knap en verstandig, dat een kind niet hoesten of niezen kan, zonder dat je al aanstonds niets dan ziekte en verwoesting voor je ziet. Pas maar zorgvuldig op het kind, waak er voor, dat zij niet in de avondlucht komt, en laat haar niet te lang spelen, en je zult zien dat zij spoedig weder dezelfde van vroeger is."

Zoo sprak St. Clare, maar hij werd niettemin bezorgd en onrustig. Hij bespiedde Eva dag aan dag met een koortsachtigen angst, die zich verried door het gedurig herhalen der stellige verklaring, dat het kind zich volkomen wel bevond, dat er volstrekt geen gevaar bij dien kuch was, dat het slechts een geringe aandoening van de maag was, gelijk kinderen dikwijls hebben enz. Hij hield haar ook veel meer dan vroeger bij zich, liet haar vaker met zich uit rijden gaan, bracht haar alle oogenblikken een nieuw geneesmiddel of versterkend drankje mede, „niet" zooals hij zeide, „omdat het kind dat noodig had, maar omdat hij wel wist, dat het haar geen kwaad zou doen."

Wat hem echter het meeste schokte en bezorgd maakte, veel meer dan die uitwendige teekens van ziekte, was de dagelijks zich zichtbaar ontwikkelende rijpheid van den geest en de gewaarwordingen des kinds. Ofschoon zij nog al de onschuld en innemend bevalligheid van haar leeftijd bezat, ontvielen haar toch soms, zonder dat zij zelve het wist, woorden van zulk een diepe beteekenis en zonderlinge, bijna meer dan aardsche wijsheid, dat zij naar buitengewone openbaring geleken. Op zulke oogenblikken kon St. Clare plotseling een kille huivering gevoelen en haar in zijne armen drukken, alsof die teedere omhelzing haar het leven zou kunnen redden, en in zijn hart ontwaakte de wilde, wanhopige wensch om haar toch te behouden en nimmer van zich te moeten laten gaan.

Het kind scheen zich geheel en al aan werken van liefde en welw illendheid te hebben toegewijd. Edelmoedig was zij van nature altijd geweest; maar nu lag er iets zoo roerends, zoo ernstigs en van zooveel vrouwelijk nadenken getuigend in al haar handelingen, dat het door allen werd opgemerkt. Zij mocht gaarne met Topsy en de overige gekleurde kinderen spelen; maar zij scheen die spelen meer van verre gade te slaan, dan er eigenlijk zelve deel aan te nemen, en soms kon zij wel een half uur om de zotte streken van Topsy zitten te lachen, terwijl een oogenblik daarna een donkere schaduw haar gelaat scheen te bedekken, haar oogen beneveld en haar

gedachten afgetrokken werden.

„Mama," zeide zij op zekeren dag eensklaps tot haar moeder, „waarom

laten wij onze bedienden toch niet leeren lezen.