is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdragen. Haar vader drukte haar eensklaps in zijn armen en vergat geheel

wat hij haar wilde zeggen.

„Eva, mijn geliefd kind. je gevoelt je sedert eenige dagen iets beter,

niet waar?" vroeg hij.

„Papa," antwoordde Eva met een ongemeen vaste stem. „ik had u reeds

sedert langen tijd vele dingen te zeggen. Ik wilde dat nu doen, voor dat ik zwakker word."

St. Clare beefde, toen Eva zich op zijn schoot nederzette. Zij legde haar

hoofd op zijn borst en vervolgde:

„Het zal niets helpen, papa-lief, wat u ook doet om mij hier te houden. De tijd nadert dat ik u zal moeten verlaten. Ik ga heen en zal nimmer wederkeeren." En Eva snikte bij het uitspreken van deze woorden.

„O, neen, neen, mijn beste, mijn eenige Eva," zeide St. Clare met een bevende stem, hoewel hij opgeruimd wilde schijnen; „ge zijt zenuwachtig en neergedrukt geworden; je moet aan zulke sombere gedachten niet toegeven. Ziehier, welk een fraai beeldje ik voor je heb gekocht.

„Neen, papa," hernam Eva, het geschenk vriendelijk ter zijde schuivende,

„bedrieg u zeiven niet. Ik ben niets beter; ik gevoel dit zeer goed, en ik weet, dat ik weldra van hier zal gaan. Ik ben niet neergedrukt en ook niet zenuwachtig. Ware het niet om u papa, en om mijn goede vrienden, dan zou ik mij volkomen gelukkig gevoelen. Ik moet heengaan en ik verlang ook heen te gaan."

„Wel, mijn lief kind, wat heeft je arm klein hart zoo droevig gemaakt? Heb je niet alles gehad wat men je kon geven om je gelukkig te maken ?"

„Ik wil liever in den hemel zijn, papa! maar om den wil van mijn vrienden zou ik nog gaarne willen leven. Er zijn hier zoo veel dingen, die mij bedroeven; er is hier zooveel, dat mij zoo vreeselijk toeschijnt! Ik wil liever heengaan; maar ik begeer u niet te verlaten, en dat doet mij bijna

het hart breken!"

„Wat maakt je zoo droevig en schijnt je zoo vreeselijk toe, Eva? „O, de dingen die gedaan zijn en nog dagelijks gedaan worden. Ik ben zoo bedroefd om onze arme bedienden; zij hebben mij zoo hartelijk lief, en zij zijn allen zoo vriendelijk en zoo goed jegens mij! Ik wenschte, papa,

dat zij allen vrij waren."

„Wel Eva, kindlief, geloof je dan, dat zij het niet goed bij ons hebben ?"

„O ja, papa; maar indien u eens iets overkwam, wat zou ei dan van hen worden? Er zijn maar zeer weinig menschen, die naar u gelijken, papa. Oom Alfred heeft niet het minste van u, en mama ook niet; en denk dan eens aan de eigenaars van de arme Prue ! Welke verschrikkelijke dingen