is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Topsy aarzelde; maar na een tweede bevel haalde zij uit haar boezem een klein pakje te voorschijn, dat zij met een stuk van een harer oude

kousen omwonden had.

Miss Ophelia maakte het pakje los. Het bevatte een klein, door Eva aan Topsy geschonken boekje, dat samengesteld was uit Bijbelplaatsen voor iederen dag van het jaar, benevens in een afzonderlijk papier de haarlok, die zij ontvangen had op den dag, toen zij elkaar voor het laatst op aaide hadden gezien.

St. Clare was diep geroerd toen hij dit tooneel aanschouwde; het kleine boekje was met een strook zwart floers omwonden, die zij van den dag deibegrafenis had overgehouden.

„Waarom heb je dit om het boekje gewonden?" vroeg St. Clare, terwijl hij het krip in de hoogte hield.

„Omdat - omdat - omdat het een boek van miss Eva was. O, neem het er niet af, masser, doe het toch niet," zeide zij, en terwijl zij zich op den grond nederzette en haar boezelaar over het hoofd trok, begon zij onstuimig te snikken.

Het was een zonderlinge vereeniging van het aandoenlijke en belachelijke, het oude stuk kous, het zwarte krip, het tekstboekje, het schoone, zachte haar en Topsy's diepe, innige smart.

St. Clare glimlachte; maar er stonden tranen in zijn oogen toen hij

zeide:

„Kom, kom, schrei niet; je zult het terug hebben," en na alles weder bij elkander te hebben, wierp hij het haar in den schoot en trok miss Ophelia met zich voort naar de spreekkamer.

„Waarlijk, ik geloof dat gij iets van dat meisje zult kunnen maken," zeide hij, met zijn vinger achterwaarts over zijn schouder wijzende. „Een gemoed, dat vatbaar is voor ware smart, is ook vatbaar voor het goede. Gij moet de hand aan haar houden."

„Het kind heeft zich in vele opzichten verbeterd," antwoordde miss Ophelia. „Ik heb goede verwachtingen van haar; maar Augustin," vervolgde zij, terwijl zij haar hand op de zijne legde, „één ding moet ik u noodzakelijk vragen; aan wie zal het kind toebehooren, aan u of aan mij?

„Wel, ik heb haar immers aan u geschonken," antwoordde Augustin.

„Maar dat hebt gij niet behoorlijk bekrachtigd; - zij moet op een wettige, onbetwistbare wijze de mijne zijn.' hernam miss Ophelia.

„Hoe, nicht!" riep Augustin uit. „Wat zou dan de maatschappij tot afschaffing van den slavenhandel wel denken. Zij zoude zeker een boet-en vastendag bij zulk een teruggang uitschrijven, indien gij u durfdet verstouten, om slaven te houden."