is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ellende en de smarten zijner medemenschen heeft voortgeleefd, terwijl

hij een ijverig arbeider had moeten wezen?'

„Ik zou zeggen," antwoordde miss Ophelia, „dat hij berouw behoorde te toonen, en voortaan met dubbelen moed moest beginnen te werken aan

de hem opgelegde taak."

„Altijd even practisch en op den man af gesproken!" zeide St, Clare, terwijl hij zich moeite deed, om zijn gelaat tot een glimlach te dwingen. „Ge laat mij nimmer eenigen tijd tot algemeene onbepaalde overdenkingen, nicht! ge leidt mij altijd langs den kortsten weg tot het werkelijk heden terug; ge schijnt altijd een soort van eeuwig nu voor den geest te hebben."

„Dat nu is immers ook het eenige van den tijd, waarmede ik iets te maken heb," merkte miss Ophelia kort en ernstig aan.

„Dierbare, beste Eva! arm kind!" zuchtte St. Clare: „zij had in haar eenvoudige ziel een edel werk voor mij bestemd!

Het was de eerste maal sinds Eva's dood, dat hij met zooveel woorden als deze weinige van haar had gesproken, en in den toon, waarop hij ze uitte, was duidelijk zijn diep gevoel kenbaar.

„Mijn beschouwing van het Christendom is van dien aard," vervolgde hij, „dat ik het mij voorstel, alsof het door geen mensch oprecht en in waarheid kan worden beleden, zonder zich met al de kracht van zijn bestaan te verzetten tegen het afschuwelijk onrechtvaardig stelsel, dat de grondslag is van onze hedendaagsche maatschappij, en, waar dit noodig mocht wezen, zich in den strijd daartegen op te offeren. Buiten dit, geloof ik dat het stellig onmogelijk is om Christen te zijn, ofschoon ik met vele verlichte en Christelijke mannen heb verkeerd, die zich daaromtrent niet erg bekommerden, en ik beken, dat de afkeer van vele godsdienstige menschen van dit onderwerp, hun gebrek aan begrip van het onrecht, dat mijn hart inet ontzetting vervult, mij meer dan eenig ander ding tot twijfelzucht hebben doen overhellen."

„Maar waarom handeldet ge dan niet, daar ge al deze dingen kendet

en gevoeldet ?" vroeg miss Ophelia.

„Och, omdat ik niets bezat dan die zekere soort van welwillendheid, die z"ich vergenoegt met op een sofa te liggen en de kerk en de geestelijkheid te vervloeken, omdat zij geen martelaren en belijders willen worden. Ge ziet, waarde nicht, hoe gemakkelijk het is om te bepalen, op welke wijze

anderen martelaren behooren te zijn."

„Welnu, zijt gij thans voornemens, om op een andere wijze te gaan

handelen?" vroeg miss Ophelia.

„God alleen kent de toekomst." zeide St. Clare. „Ik ben moediger dan