is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bedienden, uitgenomen die haar persoonlijk in eigendom hadden behoord, en die zij bij zich dacht te houden, te verkoopen, en naar haar vaders plantage terug te keeren.

„Heb je het reeds vernomen, Tom, dat wij allen verkocht zullen worden?" zeide Adolph.

„Van wien heb je dat gehoord?" vroeg Tom.

„Ik hield mij achter de gordijnen verborgen, toen missis met haar zaakwaarnemer sprak. Binnen weinige dagen zullen wij naar een verkooping gezonden worden, Tom!"

„De wil des Heeren geschiede!" zeide Tom, de armen op de borst kruisende en diep zuchtende.

„Wij zullen nimmer zulk een meester weder krijgen," zeide Adolph bedrukt; „maar nog liever wil ik verkocht worden, dan bij missis te blijven."

Tom wendde zich ter zijde; zijn hart was vol, tot barsten toe. De hoop op de vrijheid, de gedachte aan zijn verwijderde vrouw en kinderen rezen in zijn geduldige ziel op, evenals de zeeman, die bijna in het gezicht van de haven schipbreuk lijdt, het gezicht van de torenspits en de geliefkoosde daken van het dorp zijner geboorte zich boven den top van een zwarte golf ziet vertoonen, als om hem een laatst vaarwel toe te roepen. Hij drukte zijn armen met kracht op zijn borst; hij wischte zijn tranen af en poogde te bidden. De oude, goede ziel koesterde zulk een verheven gedachte van de vrijheid, dat dit een zware beproeving voor hem was, en hoe meer hij zeide: „Uw wil geschiede!" hoe treuriger hij zich gestemd gevoelde.

Hij zocht miss Ophelia op, die hem steeds, zelfs na Eva's dood, met bijzondere vriendelijkheid en achting had bejegend.

„Miss Feely," zeide hij, „masser St. Clare heeft mij de vrijheid beloofd. Hij verhaalde mij, dat hij daartoe reeds werkzaam was, en indien miss Feely nu zoo goed wilde zijn, om er met missis over te spreken, dan zal zij misschien wel geneigd wezen om er mee voort te gaan, daar het de begeerte van

masser St. Clare was."

„Ik zal voor u spreken en mijn best doen, Tom," antwoordde miss Ophelia; „maar indien het van mrs. St. Clare afhangt, dan durf ik waarlijk niet veel voor u hopen; doch ik zal al myn krachten aanwenden.

Dit gebeurde eenige weinige weken na het voorgevallene met Rosa, toen miss Ophelia zich reeds bezighield met toebereidselen, om naar haar woonplaats in het Noorden terug te keeren.

Terwijl zij ernstig bij zich zelve over de zaak nadacht, beschouwde zij het als waarschijnlijk, dat zij bij haar vroeger gesprek met Maria te haastig zulk; een warme taal had gevoerd, en zij nam zich derhalve voor, om