is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ach Heer. masser, wij waren het niet, wij waren allen stil en bedaaid, maar het waren die nieuwe negers - zij tergden en kwelden ons, en laten

ons geen oogenblik met rust.

De eigenaar van het slavenhuis wendde zich daarop naar Tom en Adolph en deelde hun, zonder veel onderzoek te doen, eenige slagen en stooten toe, en na het algemeen geldige bevel te hebben gegeven, om zich als goede jongens te gedragen en te gaan slapen, verliet hij het vertrek.

Terwijl dit tooneel voorviel in de slaapzaal der mannen, zult gij misschien ook nieuwsgierig wezen om een blik te werpen in de aangrenzende ruimte, die voor de vrouwen bestemd is. In verschillende houdingen op den grond uitgestrekt, zult gij daar talrijke slapende gedaanten van alltilei kleur, van het zuiverste ebbenhout tot aan het blanke, van den kinderlijken leeftijd tot aan den hoogen ouderdom ontdekken. Hier ziet men een schoon, net meisje van tien jaren, welker moeder gisteren verkocht werd en dat zich dezen avond in slaap schreide, terwijl er niemand was, die naar haar omzag, ginds aanschouwt gij een oude, afgeleefde negerin, wier dunne armen en magere \ ingers van langdurigen en zwaren arbeid getuigen, en die verwacht, dat zij morgen als een artikel zonder waarde tegen eiken geboden prijs verkocht zal worden; en rondom haar ontdekt gij een veertig- of vijftigtal anderen, de hoofden met doeken of verschillende kleedingstukken omwonden, op den grond gelegerd. Maar in een verwijderden hoek. van al de overigen afgescheiden, bevinden zich twee vrouwelijke wezens van een meer dan gewoon belangwekkend voorkomen. Een harer is een fatsoenlijk gekleede mulattin van tusschen de veertig en vijftig jaren, met zachte oogen en een vriendelijk innemend gelaat. Zij draagt op haar hoofd een hoogen, puntigen tulband, uit een helder rooden doek van de fijnste stof gevlochten; haar kleeding is net en smaakvol en van goede stoffen, die doen zien, dat zij haar van een zoigvuldige hand geworden zijn. Aan haar zijde en zich dicht bij haai aansluitende, zit een meisje van vijftien jaren — haar dochter. Haar gelaat is schooner dan dat van haar moeder, ofschoon de gelijkenis tusschen beiden duidelijk is op te merken. Zij heeft hetzelfde zachte, donkere oog, maar met lange wimpers, en haar krullend haar is van een schitterende, bruine kleur. Ook zij is met groote netheid gekleed, en haar handen vertoonen weinig sporen van het gewone werk der dienstbaren. Beiden zullen moigen tegelijk met do bedienden van St. Clare verkocht worden, en de man, aan wien zij toebehooren en aan wien het geld ter hand gesteld zal worden, dat zij bij den verkoop opbrengen, en die daarna niet meer aan haar zal denken, is een lid van de Christelijke gemeente te New-York.

Deze beide vrouwen, welke wij Susanna en Emmeline zullen noemen, waren de bijzondere bedienden van een godvruchtige, beminnenswaardige