is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder een prachtig verwulfsel bewogen zich op het marmeren plaveisel mannen uit alle natiën heen en weder. Aan iedere zijde van de cirkelvormige vlakte bevonden zich kleine tribunes, ten gebruike van koopers en verkoopers. Twee daarvan waren aan de tegenovergestelde zijde bezet door schitterende en talentvolle heeren, die met groote geestdrift in een mengelmoes van Engelsch en Fransch de liefhebbers tot bieden op hun waren aanspoorden. Een derde, die nog onbezet was, was omringd door een groep, welke wachtte op het oogenblik. dat de verkoop zou beginnen. En hier herkennen wij de bedienden van St. Clare: Tom, Adolph en de anderen; ook zien wij Susanna en Emmeline, die angstig en met verslagen aangezichten het oogenblik verbeiden, dat de beurt aan haar gekomen zal zijn. Verscheidene toeschouwers, al of niet met den lust tot koopen bezield, en zich meestal naar de toevallige omstandigheden schikkende, hebben zich rondom de groep geschaard, en betasten, onderzoeken hun het gelaat en de andere lichaamsdeelen, en spreken daarover met dezelfde vrijheid, waarmede een hoop paardenkoopers handelen over de verdiensten van hun viervoetige handelsartikelen.

„Ha. Alf, wat brengt je hier?" vroeg een jonge dandy, terwijl hij op den schouder van een ander zwierig gekleed jongman klopte, die Adolph door een kijkglas van het hoofd tot de voeten opnam.

„Wel, ik had een bediende noodig, en ik hoorde, dat die van St. Claie heden hier zouden wezen. Ik wilde dus eens gaan zien."

„Ik zou mij wel wachten om ooit een van St. Clares volk te koopen!

Het zijn allen verwende negers."

„Och, dat is niets," hernam de eerste. „Indien ik een van hen krijg, dan zal ik hen daarvan wel weten te genezen; ik zal hun spoedig leeren inzien; dat zij te doen hebben met een anderen meester dan met dien monsieur St. Clare. Op mijn woord, ik geloof, dat ik dien knaap ga koopen;

zijn voorkomen bevalt mij zeer goed."

„Maar je zult ondervinden, dat je alles wat je bezit van nooden zult

hebben om hem te onderhouden. Hij is vreeselijk verkwistend!"

„Doch je zult zien, mijn vriend, dat hij dit bij mij niet zal wezen. Laat hij maar eens eenige weinige malen naar den calaboose zijn gezonden en daarbij een weinig nederiger gekleed worden, en ik verzeker je, dat hij zal weten wie hij eigenlijk is. Op mijn woord, ik zal hem bekeeren; je zult

het zien! Ik koop hem, dat is uitgemaakt,"

Tom liet inmiddels zijn opmerkzaam bespiedende blikken gaan over de onderscheidene aangezichten die hem omringden, ten einde in hun midden een wezen te zoeken, dat hij gaarne zijn meester zoude noemen. Hij zag een menigte van groote, forsche. ruwe mannen, kleine, piepende, uitgedroogde