is toegevoegd aan uw favorieten.

De hut van oom Tom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal mij naar huis geleiden, en ik verlang daarheen te gaan. De hemel is

beter dan Kentucky."

„O, sterf toch niet! Het zou ook mij dooden; mijn hart breekt, als ik denk aan alles wat gij hebt moeten lijden, en dat gij daar thans zoo nederligt in die ellendige hut. Arme, arme Tom!"

„Noem mij toch niet arm!" zeide Tom op plechtigen toon. „Ikben een arm schepsel geweest; maar dit is nu alles doorstaan en voorbij. Ik sta dicht voor de deur; ik ben gereed om de eeuwige heerlijkheid in te gaan! O, masser George! De Hemel is gekomen! Ik heb de overwinning behaald — de Heer Jezus heeft mij die gegeven — geloofd zij zijn naam!

George was met eerbied vervuld door de kracht, het vuur en de klem, waarmede deze afgebroken volzinnen werden uitgesproken. Zwijgend staarde

hij den stervende aan.

Tom vatte zijn hand en vervolgde: „Gij moet het niet aan Chloé, die arme vrouw, gaan zeggen, masser George; het zou te hard voor haai zijn. Zeg haar alleen, dat gij mij de heerlijkheid hebt zien ingaan, en dat ik iiiei niet langer om iemands wil kon blijven. En zeg haar, dat de Heei mij overal en altijd heeft bijgestaan, dat Hij mij alles licht en gemakkelijk heeft gemaakt. En o, die arme kinderen, en liet kleine meisje, mijn hait is zoo dikwijls om hunnentwil gebroken geweest! Zeg hun allen dat zij mij volgen - dat zij mij naar den hemel volgen. Groet masser en mijn goede missis, en iedereen in het huis! O, gij weet het niet; maar het is mij, alsot ik hen allen liefheb. Ik bemin ieder wezen aan alle plaatsen, het is niets dan liefde, dat in mij woont! O, masser George, hoe heerlijk is het, een Gillisten te zijn?"

Op dit oogenblik begonnen de laatste krachten, die door de vreugde over het wederzien van zijn jongen meester bij hem waren opgewekt, te wijken. Een plotselinge zwakheid overviel hem; hij sloot zijn oogen, en

die geheimzinnige en verhevene verandering verspreidde zich over zijn gelaat,

die verkondigde, dat hij een andere en betere wereld naderde.

Zijn ademhaling begon kort en moeielijk te worden, en zwaar joeg hem zijn breede borst. De uitdrukking van zijn gelaat was die van een overwinnaar.

„Wie, wie zal ons scheiden van de liefde, die in Christus Jezus is . stamelde hij met een stem, die tegen de zwakheid des doods kampte, en met een glimlach viel hij in den jongsten slaap.

George zat daar met plechtigen eerbied vervuld. De plaats, waar hij zich bevond, scheen hem heilig te zijn. en terwijl hij de levenlooze oogen sloot, en opstond, was er slechts ééne gedachte die hem bezig hield, de gedachte, door zijn ouden trouwen vriend uitgedrukt met de wooiden . „Hoe heerlijk is het een Christen te zijn!"