is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I. DE OVERVAL.

Op een helderen zomerochtend van het jaar 1359 stond een troep gewapenden op de markt van de vrije rijks- en Hanzestad Lübeck. De zes mannen, behoorende tot de kleine schaar van bereden Lübecksche stadssoldeniers, waren uit het zadel gestegen, hielden de teugels losjes in de vuist en stampten nu en dan met de schachten hunner lansen op het steenen plaveisel, waaruit hun pas beslagen rossen de vonken deden spatten. De lieve morgenzon kon zich in hun dofgrijze rug- en borstharnassen al even weinig spiegelen als in hun arm- en beenstukken. Dan deden de ijzers hunner lansen beter, die kaatsten de lichtstralen terug evenals hun tamelijk lange, breede zwaarden met stevig kruisgevest, welke nu en dan met 'n onderzoekenden blik uit de scheden werden getrokken. Al waren ze in volle wapenrusting, toch zagen de gezichten der rijzige ruiters er onder de stalen helmen allesbehalve ruziemakerig uit; vreedzaam keken hun oogen rond, misschien wel wat vervelend. "VVant lang wachten verwekt ook bij erg meegaande menschen 'n zekere verveling en de ruiters wachtten al een heele poos op hun aanvoerder, die zich op het raadhuis bevond, terwijl een der stadssoldeniers diens ros bij zijn eigen aan den teugel hield.

Er werd niet veel aandacht geschonken aan dit kleine troepje op de markt; afgezien van een paar dozijn schooljongens, 'n handjevol leerknapen en wat loopknechts bekommerde zich zoo goed als niemand der inwoners van Lübeck om dezen optocht, welke, zooals men wist, gauw een uittocht zou worden. „Geluk op je tocht!" riep een voorbijgaand gezel van het kuipersgilde een kennis onder de ruiters toe, de aansprokene knikte met 'n gedwongen lachje en bromde tegen zijn kameraden: ik zou nog liever twintigmaal met 'n klophout op een vat slaan of in een koele werkplaats gergels in

1