is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vader, beste vader!" viel Lambert hem in de rede, terwijl hij een stap vooruit deed en als bezwerend de handen op hief, „noem het geen oneerbiedigheid, als ik u zoo plompverloren in de rede val. Vergeef me mijn onstuimigheid, maar hoor me aan, voor u uw onherroepelijk „zoo zal 't zijn" uitspreekt, 'k Weet dat daar geen verwikken of verwegen meer aan is. 't Gaat om myn toekomst, myn levensgeluk. Ik wil nu mijn heele hart uitstorten. Hoe hoog ik u eer, behoef ik werkelijk niet te zeggen. Uw rustelooze, rijkbeloonde bedrijvigheid in de zaken, uw woord dat op het stadhuis gioot gezag heeft, den invloed van uw stem op de besluiten der Hanze, die kent in Lübeck iedereen. In het oog van uw kind verschynt dat natuurlijk nog in een heel ander licht. Ik voor mij ben trotsch op onzen naam en zou geen ander dan een Hadewart mogen zijn. Maar al ben ik daarin een echt kind van u, ik ben toch weer geheel anders, 'k Heb uw wil gehoorzaamd en ben uit de school in uw kantooi en aan de haven gegaan, maar wat u, den koopman in hart en ziel, een ware lust is, heeft mij niet kunnen pakken, al heb ik nog zoo mijn best gedaan. Het pakhuis is net een gevangenis voor me, de lange reeksen cijfers in de boeken staren me net als visschen aan j ze zeggen me niets. Hè, een paard tusschen de beenen, een lans onder den arm, een zwaard in den gordel — hopsa, dat is wat anders! als ik den ouden Ortwin Hyddo zoo lustig uit zie rijden, dan zou mijn hart kunnen springen. Heeft mijn peet, meneer Johann Wittenborg, die u toch zeker wel voor een flinken, en met hart en ziel Liibeckschen koopman zult houden, niet in zijn jonge jaren duchtig zwaard en lans te water en te land gevoerd? Laat mij t hem nadoen, mischien wordt ik als ik ouder ben geworden, ook nog een goed koopman. Hebt u zelf me niet vol trots verteld van den tijd, — 't is nog zoo heel lang niet geleden, — dat de raadsleden van den Wendischen stedenbond tegelijk de krygshoofden der steden waien. Dat ze de met gewapenden gevulde koggen aanvoerden en bij de verdediging der stadsmuren het bevel hadden?"

„Goed Lambert. 'k Ben je niet in de rede gevallen, laat mij nu je speech afmaken en je herinneren wat ik aan die verhalen over den krijgsmoed der Hanzeaten heb toegevoegd. Ik heb je gezegd, dat de tijd, dat één enkel persoon, koopman, raadsheer en krijgshoofd was, ten einde loopt. Je kunt den tijd niet tegenhouden, niet tegen haar zeggen, zooals de profeet van het Oude "Veibond tot de zon sprak. „sta stil!" De eischen welke elk van deze drie gewichtige ambten