is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebt gedaan, een kort geschiedenisje vertellen; de moraal mag u er zelf uithalen. Dat is beter."

De vreemde begon:

„In Hamburg, voor de Zuidpoort, staat 'n slecht aangeschreven, streng gemeden huis, omgeven door een tuin en een leemen muur, daar woont nog heden net als voor honderd jaar, de scherprechter, of zooals ze hem vroolijker noemen, meester Roodmantel. En evenals voor honderd jaar heet hij nog altijd Schutner, want dat beroep gaat van zelf van vader op zoon over. Hij slaat de menschen hun booze hoofden af, of laat ze bruiloft vieren met het dochtertje van den touwslager, precies zooals de wijze Raad goed vindt te besluiten. Roodmantel heeft een zoon — wat drommel zal ik ook als de kat om de heete brij loopen! — de Roodmantel van Hamburg is mijn vader!...." Onwillekeurig was Lambert van kleur verschoten en een paar stappen achteruit gegaan, en de ander ging voort: „Ziet u nu wel, alleen dat kleine begin heeft u al doen verbleeken! Stel u gerust en kijk niet zoo angstig naar mijn arme handen, die voorloopig nog rein zijn en vrij van allen beulsarbeid! Maar nu moet u ook verder naar me luisteren; de sluis die zoo lang gesloten is geweest, is eindelijk open gezet en nu wil het water er uit stroomen — 't is me alsof ik anders er in zou stikken. — In het huis van den beul dan, ben ik geboren en opgegroeid en misschien heb ik wel meer liefde van mijn ouders ondervonden dan menig ander. Want de oneerbaren moeten alles voor elkaar zijn, hun familie, hun huisgezin is hun heele wereld; een eiland dat eenzaam in de Poolzee ligt, omringd door het koele ijs, ligt niet afgezonderder dan het huis van den beul. In ons gemeden en gebannen huis heb ik heel wat geleerd, waarvan de jongens van schippersknechts en bootwerkers niet weten; ik heb nooit honger geleden of gebrek gehad. Toch liet de ellende niet op zich wachten; de eene mensch moet eindelijk den anderen ontmoeten, waar ze met zoovelen zijn, en de eene jongen den anderen, ook al wordt hij nog zoo zorgvuldig gemeden. Ik kreeg een jongen, die me op straat voor mijn voeten spoog — dat vervloekte bewijs van minachting — bij z'n kladden en we klopten elkaar behoorlijk af. Hij was tamelijk goed met blauwe plekken door me toegetakeld; hij ging naar de gracht, waschte zijn snoet en z'n vlerken af, spoog weer driemaal in de vier windstreken en zei dat hij nu weer rein was maar ik oneerbaar bleef. Och — de zaak is bekend genoeg, ik behoef u niet te vervelen met kleine bizonderheden.